Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berkels behebd is. De ontleedkundige kenteekenen van deze ziekte zijn door Rilliet en Bartiiez, IIasse, Ooskens en Becquehel naauwkeurig beschreven. Maar ongelukkig staat de herkenning niet op de hoogte van de ontleedkundige kennis ; pathognomonische kenteeken kan men voor het oogenblik niet opgeven. De zieken lijden aan drukking en pijn in de streek van het borstbeen, hoest, belemmering van de ademhaling, soms aan huidwaterzucht, uittering. Deze verschijnselen kunnen echter alleen dan het vermoeden van tuberkelzucht der luchtbuisklieren doen ontstaan, wanneer er tevens andere teekenen van klieraandoeningen, klierzieke zwelling der hals- of damscheilklieren aanwezig zijn.

§ 1178. Het beloop der ziekte is langzaam, zoo lang de longen zelve niet mede aan tuberkels lijden. De verweeking heeft gewoonlijk slechts langzaam plaats; daardoor is ook dikwijls genezing door inschrompeling, verkalking, afzetting van zwarte kleurstof mogelijk. Om de tuberculeuse klier heen verdigt zich het celweefsel in eenen stevigen zak , waardoor zij veel beter van de omringende deelen wordt afgezonderd, dan men dit b. v. in de tuberculeuse massas der longen aantreft. De verweekte tuberkelmassa of ook de door drukking des gezwels veroorzaakte zwerende ontsteking kau doorboring van verschillende deelen, van eenen luchtbuistak, van de longbuiszelfstandigheid, van het borstvlies , van den slokdarm, van de longslagader te weeg brengen. De tuberkelzucht der luchtbuisklieren is bijna uitsluitend eene ziekte van den kinderlijken leeftijd , zij ontstaat doorgaans in den tijd tusschen het eerste en tweede tandenkrijgen, en heeft haar beloop voleindigd, wanneer de huwbare jaren gekomen zijn; alleen hare gevolgen zijn nog in dien tijd waarneembaar.

§ 1179. Zoo de ziekte herkend werd, zou de behandeling die van klierziekte zijn.

X.

VERWEEKING, SPHACE1US.

KOUDVUUR DER LONG (PUTRESCENTIA; GANGRAENA S. MORTIFICATIO PULMONUM; ANTHRAX S. CARBUNCULUS PULMONUM; PNEUMOSEPSIS; NECROPNEUMONIE, PIORRY).

Baïle , Recherches sur la phthisie pulmonaire. p. 86. — Laensec , 1. c. T. I. — Lorinser , 1. c. p. 277. — Hastisgs, in Edinb. Journ. of med. Sc. Bd. V. — Boeillaud , in Révue méd. 1824. H. 5. — Schroeder y. d. Koik, Observatt. analomico-pathol. et pract. argumenti. 1'. I. p. 202. Samml. auserl. Abh. Bd. XXXTI. S. 753. — Crdveiliher , Anat. pathol. — Cars^ll, Illnslrations etc. — Genest, in Gaz. méd. de Par. 1856. Nro. 58 en 82. ScnailDTS Jahrb. Bd. XV. S. 51. — R, Law, in Dubliu mcd. Transactions. Vol. 1. I'. 1. p. 89. Samml. auserl. Abli. Bd. XL. p. 474. — Gerhard, in Annales de Méd. beige. 1858. Aoüt, Sept. — Gdislain , Annal. de la Méd. beige. 1855. Janv. 1836. Janv. Schmibt's Jahrb. Suppl. Bd. I. S. 444; Gaz. méd. de Par. 1858. Nro. 28. Scumidt's Jahrb. Bd. XXYI1I. S. 217. — Fobrket, in L'Experience. 1858. Nro. 21. SnHBiiT's Jahrb. Bd. XXXII. S. 165. — Hasse, Spez. palh. Anat. Bd. I. S. 500. — Rokitanskï , 1. o, Bd UI. S. 111.

Sluiten