Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toonen hoort, ter beoordeeling van het aangetaste deel van het hart, daar de linker kamer, gelijk reeds aangemerkt is, zeer sterk in de rigting naar de regter zijde, en omgekeerd de regter kamer naar de linkerzijde kan uitgezet zijn.

5 14-1. De verschijnselen van de verwijding der boezems zijn, voor zoo ver men weet, geene andere dan die van de verwijding der kamers, en eene bijzondere onderkenning daarvan is op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet goed mogelijk.

Oorzaken.

§ l-iö. Elke verhindering van den bloedsomloop in de long of in het algemeen vaatstelsel, waardoor ophooping des bloeds in ééne of meer afdeelingen van de ruimte in het hart wordt voortgebragt, veroorzaakt oogenblikkelijke uitzetting der onder den hinderpaal liggende holten. In den natuurlijken toestand werkt de inhoud van het hart en de bovenmatige uitrekking van dit deel zelf weder als prikkel en aanstoot tot eene daarop volgende krachtiger zamentrekking; vermeerderde krachtinspanning drijft het tegengehouden bloed over den hinderpaal heen en het hart keert dadelijk tot zijn natuurlijken omvang terug. Verhinderingen van den bloedsomloop kunnen dus bestaan, zonder dat zij alleen op zich zelve noodzakelijk op het oogenblik blijvende verwijding der holten na zich moeten slepen. Hiertoe wordt nog eene andere medewerkende voorwaarde vereischt. Wij noemen de eigenschap van het hart, om door eene krachtige zamentrekking na gewelddadige uitrekking weder tot zijn vroegeren omvang te kunnen terug keeren, zijne weefselveerkracht of kracht van tegenstand. Ten einde door de duurzame of dikwijls terugkeerende uitrekking ten gevolge van bloedophooping werkelijke blijvende verwijding eener holte zou ontstaan , moet de weefsel \ eerkracht harer wanden verzwakt zijn. Uit deze beide voorwaarden, werktuigelijke verhindering van den bloedsomloop en verzwakte weefselveerkracht der zelfstandigheid van het hart, laat zich de oorsprong van iedere hartverwijdiug verklaren, hoe verschillend ook de verwijderde oorzaken schijnen te zijn; nu eens werken deze beide invloeden te zamen, en dan weder is de veranderde hoedanigheid des weefsels alleen tot voortbrenging dezer verandering van het hart voldoende.

§ 146. De verhinderingen van den bloedsomloop, die tot het ontstaan van de verwijding van het hart mede werken, zijn volmaakt dezelfde, die wij reeds onder de oorzaken van hypertrophie van het hart vermeld hebben: vernaauwing en onvoldoendheid der klapvliezen, vernaauwing der aorta en longslagader, hebbelijke dyspnoea en dikwijls terugkeerende lig. chaamsiuspanningen , waardoor de bloedsomloop in de longen tijdelijk verhinderd wordt, longemphysema, tegennatuurlijke naauwte van het gezamenlijk peiipherisch vaatstelsel enz. Maar hoe komt het, dat onder den invloed derzelfde oorzaak hier verwijding met verdikking, ginds met verdunning der hartwanden ontstaat? Hierin ligt juist het bewijs opgesloten , dat de werking eener de hartholten enkel werktuigelijk uitzettende oorzaak het ontstaan der ziekte nog niet verklaart. Zal verwijding met verdunning der hartzelfstandigheid tot stand komen, dan moet het hart in evenredigheid van de uitzettende werking do noodige veerkracht des weefsels en levenskrachtige sterkte missen,

Sluiten