Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het deel aanmerkelijk afneemt en deszelfs oppervlakte er rimpelig en verslapt uitziet; echter moet men zich wachten, om een ten gevolge van eenen plotselingen of met krampachtige toevallen gepaarden dood sterk zamengetrokken hart voor atrophisch te houden (1) <i) gedeeltelijke atrophie, uittering van bijzondere deelen van het hart, waarbij het deel somwijlen in zijnen geheelen omvang slechts weinig verliest; Albers zag de atrophie tot ée'ne helft van het hart beperkt.

§ 165. De vertering van het hart kan zoo ver gaan, dat deszelfs gewigt tot op de helft, tot op een derde gedeelte van den natuurlijken toestand afneemt en het deel naauwelijks grooter dan een kinderhart is ; men heeft het met eenen ingeschrompelden appel, met eene gebraden peer vergeleken. In de verkregene (niet aangeborene) atrophie is ook meestal het weefsel veranderd, bleek, bloedledig, even als een in water geweekte spier, murw, verweckt (Laennec noemt de hartverweeking eene toenadering tot atrophie), of ook droog, hard, rimpelig. Zelden komt de atrophie voor, dikwijls heeft gelijktijdig verwijding der holten plaats (Verg. Verwijding der hartholten met verdunning der wanden).

V erschijnselen.

§ 166. De verschijnselen der atrophie van het hart zijn uiterst onbepaald en vele waarnemers twijfelen aan de mogelijkheid eener stellige herkenning. Somtijds is er geen der gewone verschijnselen van hartziekte aanwezig; de werkzaamheid van het hart is zeer zwak; Siheoms geeft eenen onderdrukten, later niet meer voelbaren, na inspanningen sidderenden hartslag op; de pols is klein, dun, langzaam. Of men, gelijk Bobilladd meent, den pols bij middelpuntzoekende atrophie (klein, dun, vrij hard) van dien der uitmiddelpuntige atrophie (week, zwak, maar vrij breed) kan onderscheiden, moeten wij betwijfelen. De aanstoot van het hart is zeer zwak of ontbreekt geheel; de geruischen zijn zwak en onduidelijk en verdwijnen in dezelfde mate, als de inhoud der holten afneemt. Echter kan men volgens Piorry op de stelhoscopische teekenen niet veel vertrouwen, omdat de aanstoot en harttoonen niet zoo zeer van de grootte van het hart als van de kracht afhangen, waarmede het zich zamentrekt. Zeer kleine harten slaan dikwijls snel en krachtig aan, doch de zamentrekking heeft geene duurzaamheid. De meeste zekerheid verschaft de uitkomst van de plessimetrie; als maatstaf hiervoor dient, dat, zoodra bij eenen volwassen man het hart van de eene zijde naar de andere minder dan 3| duim, bij zwakke menschen en vrouwen minder dan 3 duim plessimetrische breedte heeft, men kan rekenen, dat zijn omvang beneden de behoorlijke grootte is. Om hierin zeker te gaan, moet men de dikte der spieren en de borstkas van het individu mede in aanmerking nemen, en op den plessimeter sterk kloppen, omdat dikwijls een gedeelte van het hart achter eene over hetzelve heen liggende laag der long verborgen ligt. Ook mag men niet uit het oog verliezen, dat het hart bij vele individus, bijzonder wanneer zij eene zittende houding hebben, zeer laag naar den bovenbuik afzakt, inzonderheid wanneer de lever zich niet over

(1) vindt inen liet hart niet zelden in de lijken van aan tetanus of watervrees gestorve»

nen , bij verongelukten.

Sluiten