Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de knobbeltjes van Arantius af, die soms eene ongewone grootte (van eene noot, van een duivenei) bereiken; men heeft de S-vormige klapvliezen in volkomene beenplaatjes veranderd gezien. Blijft het middelste gedeelte dezer klapvliezen in eene zekere uitgestrektheid vrij, dan kan, al zijn ook de rand en de grondvlakte reeds aangedaan , het klapvlies nog rijzen en dalen , zonder den bloedsomloop aanmerkelijk te hinderen. Somwijlen lijdt slechts een enkele punt van het klapvlies, of de eene is kraakbcenig , de andere beenachtig ontaard. Niet zelden rolt .zich een ziek klapvlies als een schelp om zijne eigene as naar boven of naar beneden op, en blijft of onbewegelijk tegen de wanden der aorta aangeleund (waardoor onvoldoendheid wordt te weeg gebragt) of vernaauwt den mond door den toestand van bestendige afzakking; de afzonderlijke klapvliespunten van hetzelfde klapvlies kunnen in eene tegen elkander overgestelde rigting opgerold zijn. De vernaauwing van den aortamond is soms zoo groot, dat er naauwelijks eene opening ter dikte van eene penneschacht overblijft, het klapvlies gelijkt op een uitgespannen, met eene centrale driehoekige opening doorboord kraakbeen- of beenachtig scheidingsvlies.

§ 176. De vrije rand en de grondvlakte ondergaan ook in het mijterklapvlies meestal de aanzienlijkste verandering; de vrije rand kan de dikte van 4—5 lijnen bereiken, de kraakbeenachtige verharding geeft aan den rand dikwijls het aanzien van een tamelijk glad, maar ongelijk, den boezemmond vernaauwend kussen, dat de vastheid van een vezelkraakbeen heeft; soms strekt de verharding zich over het geheel van het klapvlies uit. De spitsen van het mijterklapvlies zijn dikwijls als ineen gesmolten, en van den mond blijft slechts eene zeer naauwe, somtijds op een knoopsgat gelijkende spleet, of eene kanaal- of trechtervormige naauwe doortogt over.

§ 117. Hoogst zelden worden op deze wijze de klapvliezen van het regter hart ziek, en van deze weder de longslagader-, zeldzamer, dan de driepuntige klapvliezen; vindt men echter veranderingen van de klapvliezen der regter zijde van het hart, dan zijn in de meeste gevallen die van de tegenovergestelde zijde gelijktijdig en wel in eene hoogere mate ziek; de veranderingen der klapvliezen van het regter hart blijven meest op den trap van kraakbeenvorming staan (1). Men heeft op verschillende wijzen deze merkwaardigheid gezocht te verklaren. Men heeft het aan de grootere ontwikkeling van het vezelig weefsel in de linker zijde van het hart (Williams) , aan de grootere krachtdadigheid der zamentrekkingen van deze holten, aan den invloed van het in dezelve loopend slagaderlijk bloed (Laennec) toegeschreven, dat de linker klapvliezen van het hart veelvuldiger ziek worden. Voor een zeker aandeel van de slagaderlijke hoedanigheid des bloeds spreekt de waarneming , dat in gevallen van tegennatuurlijke gemeenschap der regter en linker helft van het hart de genoemde veranderingen even gemakkelijk ook in de klapvliezen van het regter hart ontstaan.

c) Uitgroeisels. Onder den naam van uitgroeisels of uitwassen der klap-

11) De ontaarding komt meer dan in 9/10 der gevallen aan de linker zijde alleen voor, of 120 der gevallen op beide zijden te gelijk en slechts ongeveer 1/50 aan de regter zijde alleen (Jor t. a, p. S. 328). Voorbeelden van verbeeningen in de regter helft van het hart vindt men bij Orro patbol. Anat. S. 293, Anm. 11.

Sluiten