Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vliezen heeft men verschillende vormsels begrepen, die in hun ontstaan en aard van elkander ten zeerste schijnen onderscheiden te zijn. De eerste beginselen dezer vormsels liggen in het duister en hierin vindt het twijfelachtige in de meer naauwkeurige kennis daarvan eene verontschuldiging. Gewoonlijk onderscheidt men de eiwitachtige (ook kogelvormige, vezelstofachtige) uitwassen van de tcratachtige, maar onder de vezelstofachtige vormsels zijn ook reeds zoodanige, die om hunne vastheid en hunne hanekamvormige gedaante, den naam van wratachtige uitgroeisels zouden verdienen; een vaste grens is niet te vinden. Van meer belang schijnt de manier te zijn, waarop die vormsels tot stand komen. De zoogenoemde eiwitachtige vormsels sluiten zich naar allen schijn onmiddellijk bij de op uitzweeting gelijkende, schijnvliezige stofafzettingen op het weivlies aan; zij zijn meest week, of van eene verschillende vastheid van buiten naar binnen toe , van buiten bijna als hard gekookt eiwit, van binnen zelfs somtijds bloedstremsels, bloed en etter bevattend ; hun vorm is eirond of rond, zij voegen zich even als de hartpolypcn met vertakkingen tusschen de vleeschkolommen in, zijn soms gesteeld, soms met eene breede grondvlakte aan het inwendig vlies van het hart bevestigd, laten zich dikwijls gemakkelijk daarvan losmaken; men vindt deze vormsels evenzeer in de kamers als in de boezems en even dikwijls aan de regter als aan de linker zijde. — Daarentegen zijn de zoogenoemde wratachtige uitwassen zeker altijd voortbrengsels van eene vreemde vorming; zij komen slechts aan de klapvliezen, bijzonder aan hun vrijen rand en hunne grondvlakte voor; staan soms geheel op zich zelf, soms in groepen bijeen en hebben vaak de grootste overeenkomst met venerische vijgwratten, maar moeten geenszins als zoodanig beschouwd worden, omdat men ze ook zonder eenige sporen van venusziekte aantreft; zij zijn meest slechts met het mes van den bodem, waarop zij zitten, los te maken, dikwijls gesteeld, hard als vezelkraakbeen, wit- of roodachtig, dikwijls toegespitst, met eene moerbei-, hanekam-, bloemkoolvormig verdeelde oppervlakte, somwijlen zoo lang, dat ZÜ bijna tot aan de spits van het hart reiken (Elliotson).

§ 178. B) De onvoldoendheid der klapvliezen hangt even als hunne vernaauwing van verschillende ontleedkundige veranderingen af; dezelfde verandering, die soms de oorzaak van vernaauwing van den mond is, (namelijk de verdikking , de atheromateuse, kraakbeenige en kalkachtige ontaarding der klapvliezen), veroorzaakt onder andere omstandigheden het terugborrelen van de bloedgolf, — ja zelfs gelijktijdig vernaauwing en onvoldoendheid. Stelt men zich, b. v. de verbeende aortaklapvliezen als een onbewegelijk scbeidingsvlies met eene opening in het midden voor den mond der aorta uitgespannen voor, dan is het të begrijpen, hoe van den eenen kant de voorwaarts gedrevene bloedgolf in haren vrijen doorgang door deze vernaauwden mond verhinderd kan zijn en hoe anderdeels de onvolkomen sluitende S-vormige klapvliezen bij de uitzetting der kamer den gedeeltelijk plaats grijpenden terugvloed des bloeds niet kunnen weren. Guyot merkt aan, dat onvoldoendheid der aortaklapvliezen alleen dan kan ontstaan , wanneer de kraakbeen- of beenachtige ontaarding zich geheel of bijna geheel over het klapvlies uitstrekt; is zijn middelste gedeelte gezond, dan is volgens hem het terugvloeijen reeds niet meer mogelijk; dit is slechts in zoover waar, als men eene mogelijke verkorting der klapvliespunten door de ontaarding, door oprollen enz. niet rekent.

Sluiten