Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

binnen in den weivlieszak de hoofdzakelijke ontleedkundige kenmerken. De sterkte van de roodheid is geen maatstaf voor den graad der ontsteking en het schijnt, alsof de roodheid bij zeer acute pericarditis dikwijls weinig uitgedrukt is; de uitzweeting is zeer vroegtijdig, bijna te gelijk met het begin van den vochtstilstand aanwezig.

§ 203. De roodheid van het hartezakje is meest gepuncteerd, gevlekt, gesprengd, boom-, stervormig vertakt, soms in plekken als van bloeduitvating, in vlekken, strepen, dikwijls gelijkvormig uitgebreid, alsof het weivlies met bloed was doortrokken. Was de dood plotseling daarop gevolgd, dan verdwijnt de roodheid vaak door de zamentrekking der vaten; ook neemt zij met de afzetting der schijnvliezen meestal af (1). De weivliesvlakte van het hart wordt ruw, opgezwollen , soms dof.

§ 304. De uitzweeting is even als bij pleuris van zeer verschillende hoedanigheid en ondergaat verschillende veranderingen, zonder dat de grond voor die verscheidenheden tot dusver duidelijk is. Uitzweeting eener heldere, citroen- of stroogele, groenachtige, roodachtige wei, met een gering gehalte aan half gestold eiwit in den vorm van vlokken, of uitzweeting van een troebel melkweiachtig vocht, waaruit zich slechts eene zeer dunne schijnvliezige laag afzet, schijnt meer aan eenen lagen graad van vochtstilstand eigen te zijn; de vloeibare uitzweeting, welke zelfs van 1 tot 4 pond kan bedragen, wordt dikwijls snel weder opgeslorpt.

$ 205. Gemeenlijk is de uitzweeling rijk aan vezelstof, misschien des te rijker, hoe rijker het bloed aan vezelstof, hoe hooger de graad der ontsteking is. Laennec heeft de opmerking gemaakt, dat in de acute pericarditis de hoeveelheid wei, in vergelijking met de groote hoeveelheid van vezelstof houdende uitzweeting, geringer of bijna gelijk aan dezelve is, terwijl de wei bij uitzweeting in pleuris cn buikvliesontsteking de vastere stof gewoonlijk 20 tot 50 malen in hoeveelheid overtreft; vrij dikwijls vindt men na zeer hevige pericarditis volstrekt geene wei, maar slechts eene digte, sterk geronnen uitzweeting, die de geheele holte van het hartezakje vult, en het hart en de groote vaten met de uitwendige plaat van dit vlies verbindt. Laennec helpt zich met de onwaarschijnlijke gissing, dat de ontsteking alsdan slechts gestolden etter zonder bijmenging van wei heeft voortgebragt; en toch ligt eene andere verklaring duidelijk voor de hand; het voortdurend zich bewegend hart bespoedigt in de vezelstofhoudende vloeistof de afscheiding der vezelstof, even als de gard in het geslagen bloed; noch in het borstvlies, noch in het buikvlies is eerie zoo gunstige voorwaarde voor de snelle afzetting en stolling der vezelstof aanwezig.

§ 206. Of de uitzweeting is zoodanig, dat zich daaruit gemakkelijk meer of minder stolbare stof afzet en op de vlakte van het weivlies blijft zitten (verre het menigvuldigste geval), — óf het uitgezweet vocht blijft gebonden, gelijk, roomachtig, is werkelijk etter, — óf het is eene bloedkleurige, geen stremsel vormende vloeistof, — of eindelijk werkelijk bloed met gestolde stukken.

§ 207. Gewoonlijk zet zich de stolbare stof in zamenhangcnde, de gc-

(1) Uij den overgang van acute pericarditis in een slepend tijdperk verliest volgens Hoi'ü de roodheid Karen glans, wordt vaak zeer donker en bruinachtig, soms ook kaneelkleurig.

Sluiten