Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang er geene etterachtige of aanzienlijke weiuitzweeting gevormd is; in deze gevallen neemt hij spoedig af en wordt dikwijls geheel niet voelbaar. Dikwijls volgen op eenen hijzonder sterken hartslag 3—4 trapsgewijs in kracht afnemende. Zoodra de uitgestorte vezelstof stolt, zou volgens Boijiilaüd de tweede hartbeweging in twee tempo's plaats grijpen en aan de betastende hand eene soort van kraken mededeelen. De gelijktijdig hjpertrophische of verslapte hoedanigheid der zelfstandigheid van het hart heeft eenen gewigtigen invloed op het karakter van den aanstoot; een matig hjpertrophisch hart kan ook nog in weerwil van eene groote uitzweeting eenen » veerenden" aanstoot, zoo als Hope hem noemt, voortbrengen. — De pols is altijd hardachtig, huppelend, veerend , en kan volgens Skoda en Kolletscdka aan de spaakbeensslagader zeer klein zijn, terwijl de hartstoot hevig en ver uitgebreid is. Bij veel uitgezweete stof heeft de pols zijne natuurlijke sterkte en grootte, terwijl de hartstoot niet voelbaar is. Evenzoo is de onregelmatigheid nu eens meer aan den hartstoot, dan weder meer aan den pols waarneembaar. Meestal is hij in de eerste dagen der ontsteking menigvuldig, hard, zelden onregelmatig en wordt tegen den 3den, 4den dag klein, hard, zamengetrokken en thans dikwijls eerst onregelmatig. Hij behoudt zijne snelheid dikwijls ook nog lang na den afloop der ontsteking.

§ 220. d) Teekenen uit de auscultatie: wrijvings-, nieuwleder-, blaashalggeruischen. Het wrijvingsgeruisch luidt in den geringeren graad als het ritselen van taf of gesatineerd papier, in eenen hoogeren graad, als het kraken van een nieuwen zadel (ledergeruisch), eindelijk als blaasbalg-, rasp-, vijl-, zaaggeruisch , of even alsof iemand aan den rand van den stethoscoop krabde. Het geruisch kan de harttoonen bedekken, kan gelijktijdig zijn met de zamentrekking en de uitzetting, en is moeijelijk van de inwendige hartgeruischen te onderscheiden. Men is alleen dan vrij zeker, dat het geruisch door wrijving ontstaat, wanneer het zoo nabij klinkt, dat het den hoorder voorkomt, als of iemand aan den rand van den stethoscoop krabde, wanneer het geruisch op nieuwleder-geruisch gelijkt, wanneer het niet gelijktijdig met de harttoonen is, wanneer de gewaarwording der wrijving zich ook aan de betastende hand mededeelt , wanneer het, zelfs wanneer het zeer sterk is, slechts in eene zeer kleine ruimte gehoord wordt.

§ 221. Dit geruisch kan niet anders ontstaan, dan wanneer de beide vlakten van het hartezakje door stolbare uitzweeting ruw geworden zijn en de mogelijkheid van hare aanraking niet weggenomen is. Coluh was van gevoelen , dat eene zekere droogte van het hartezakje in de eerste uren der ontsteking het nieuwleder-geruisch kon veroorzaken; echter hebben de proeven van Clendinning, Todd, Williams , Leblakc bij dieren bewezen, dat enkele ontstekingachtige opzetting zonder uitzweeting niet voldoende is tot het voortbrengen van dit geruisch, maar dat dit dadelijk ontstaat, hoe gering de vochtuitstorting ook wezen mag. Hoe ruwer en oneffener de stolbare laag uitgezweete stof is, hoe minder door reeds volkomene aanhechtingen de vrije werking van het hart belemmerd is, des te hoorbaarder en ruwer zal het wrijvingsgeruisch zijn. Maar zelfs wanneer de ophooping van vocht benevens de stolbare uitzweeting niet onaanzienlijk is, blijft een aanstooten van het hart, dat zich door het vocht heen beweegt, tegen het vrije blad van het

Sluiten