Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hartezakje en dus het ontstaan van het wrijvingsgeruisch mogelijk. Het laatst verdwijnt het aan de grondvlakte van het hart, daar de '\veiverzameling dit gedeelte van het hartezakje niet dan het laatst uit de aanraking met het hart verdringt. Het wrijvingsgeruisch kan onder dezelfde voorwaarden ook nog na het ophouden der ontsteking voortduren. Bij eene zeer sterke wei-, of bij eene etteruitstorting ontbreekt het wrijvingsgeruisch geheel; ver uitgebreide, matte weergalm en wrijvingsgeruisch sluiten elkander meestal over en weder uit. Het wrijvingsgeruisch houdt gewoonlijk nooit eenige dagen achtereen aan. Dikwijls is het slechts gedurende de sterkere hartkloppingen hoorbaar.

§ 222. Daar de pericarditis dikwijls consensuele ontsteking van het endocardium te weeg brengt, zoo als de ziektekundige ontleedkunde leert, kunnen inwendige hartgeruischen gelijktijdig plaats grijpen , die zich dan moeijelijk van wrijvingsgeruischen laten onderscheiden. Volgens Bocillaed kan het blaasbalggeruisch door de vorming van bloedstremsels binnen in het hart veroorzaakt worden ; ook moet volgens hem de drukking van eene aanzienlijke uitstorting op het hart den doorgang des bloeds door de monden moeijelijk maken en een zwak blaasbalggeruisch voortbrengen.

§ 223. e) Pijn. Eene omschrevene en voornamelijk tot de linker zijde van den bovenbuik beperkte pijnlijkheid, die bij eene bovenwaarts naar het middelrif gerigte en onder de voorste randen der linker onware ribben uitgeoefende drukking toeneemt, is volgens Elliotson en Coplahd een der bestendigste teekenen van pericarditis. De pijn strekt zich soms over de geheele borst, naar den linker schouder, iD den bovenarm tot aan den elleboog, of naar het middelvlies, naar de onderkraakbeensstreek, tot aan den navel uit, is brandend, stekend, borend, scheurend of dof, zamensnoerend, wordt volgens Skoda en Kolletschka bijna altijd door diep inademen, niet altijd door drukking, percussie, beweging vermeerderd. De pijn kan ook geheel ontbreken. »Is zij bij eenen niet bijzonder gevoeligen lijder zeer hevig, dan bestaat er groote waarschijnlijkheid, dat er eene zeer rijkelijke of zelfs etterachtige uitzweeting gevormd wordt; is zij over eene borsthelft of over de geheele borst uitgebreid, dan is er reeds eene zamenstelling met borstvlies- en longontsteking aanwezig." (Skoda en Kolletschka)

§ 224. ƒ) Belemmering in het ademhalen en hoest. De belemmering der ademhaling is dikwijls zeer aanzienlijk, dikwijls tot het gevaar van stikken toe , inzonderheid wanneer er zich eene zeer aanzienlijke of etterachtige uitstorting heeft gevormd ; de ademhaling is versneld, de linker zijde van de borst verheft zich niet volledig uit hoofde van de aldaar zittende pijn. Hoest is er bijna altijd aanwezig, nu eens droog, dan weder vochtig. Ook blijft in het tijdperk der herstelling nog lang kortademigheid na , inzonderheid na bewegingen. De hoest neemt in dezelfde mate met de overige verschijnselen af. Bij eene groote uitzweeting houdt hij soms zeer hardnekkig aan en brengt de moeijelijkheden in het ademhalen op nieuw aan den gang (Skoda en Kolletschka).

§ 225. g) De zieke kiest gemeenlijk zulk eene ligging, waarin het pijnlijk deel het minst gespannen is , en waarin de long door de bestaande uitzweeting de minste drukking ondergaat. Hij legt zich dus nooit op de pijnlijke

Sluiten