Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Kolletscüka eene volkomene genezing niet meer voor mogelijk; tuberkeL vorming, waterzucht, scheurbuikachtige ontbinding der bloedmassa, vermagering brengen den dood aan, die zelden later dan na omstreeks drie jaren, maar des te vroeger verschijnt, wanneer er tevens weiuitzweeting aanwezig is. — De overgang van de uitzweeting in tuberkelzucht is te vermoeden , wanneer het stolbaar uitzweetsel langer voortbestaat, de pols altijd koortsig blijft, vermagering opkomt, en voornamelijk wanneer tuberkels in andere deelen aanwezig zijn.

§ 233. De doodelijke afloop heeft gewoonlijk plaats door verlamming van het hart, nadat de nood van stikken tot het hoogste geklommen is; zeldzamer in eenen aanval van flaauwte. Pericarditis met etterachtige en ichoreuse uitzweeting eindigt volgens Skoda en Kolietscdka waarschijnlijk telken reize doodelijk; in de hevigste gevallen reeds na 24 uren, niet ligt na den 6den of 7den dag; ook volgt bij eene groote hoeveelheid stolbare uitzweeting de dood dikwijls reeds binnen weinig dagen.

Voorspelling.

^ 234. De voorspelling der pericarditis hangt voornamelijk van de hoeveelheid en hoedanigheid der uitzweeting en van het acute der ontsteking af; etterachtig, ichoreus, rijkelijk, stolbaar uitzweetsel zijn van de ergste voorbeduiding en dat wel des te meer, wanneer de uitstorting zich zeer snel na het begin der ontsteking ontwikkelt, wanneer de koorts zeer hevig, het algemeen gevoel sterk aangetast is. Door zamenstelling met pleuris, longontsteking, endocarditis neemt ook het gevaar der pericarditis toe. Primitive ontsteking van het hartezakje is ligter geneeslijk, dan de metastatische; de voorspelling is ongunstig, wanneer er reeds vooraf eene organische ziekte aanwezig was.

Over de oorzaken en de behandeling zie verder beneden.

B. MYOCARDITIS EN ENDOCARDITIS.

Rosdelet , Method. cnrand morb. cap. X. pag. lo5 Lugd. Bat. 1575. - N. Andry , Remarques sur Ia saignée , la purgation etc. Par. 1700. — De Berger, D. de inflamm. cord. Wittenb. 1718. — A. Pasta, Epist. de cord. polypo in dubium revocato. Berg. 1739. — Goger, De inflam. eordis vera. Jen. 1758. — J. Pasta, De sang. et sang. concretionibus per anat. indagatis etc. Berg. 1786. — Bdrserius , Instit. med. pract. T. IV. § 254. — F. L. Bang, Selecta Diarii etc. annis 1783, 17 85 et 1786. — Metzger (resp. J. C. Mertzfeldt), D. de carditide. Künigsb. 1789. — Nuns, D. de carditidc spontanea. Erf. 1788.— A. Portal, Cours d'anat. méd. T. III. p. 79. — Margus, Entw. einer spec. Ther. Bd. II. p. 23ö. — Kriegelstein , in Hdfïl. Journ. Bd. XIX. St. IV. p. 119. Schenck , ald. Bd. XXVII. St. I. p. 68. — KreySIG, 1. c. Bd. II. Abth. I. S. 67; Bd. III. S. 264. — rakeffi, in Bullet. de Ia fac, de Méd. Par. 1809. p. 140. — Gaertnkr, De polypo cordis in specie infant. Wirceb. 1811. — Mérat, Dict. des sciences méd. T. IV. p. 74. — J. F. Da vies, Inquiry into the symptoms and treatment of carditis etc. Batb, 1808. — J. F. Davies, Ueb. die Herzentzünd. nebst W. K. Wells Fallen von Rhenmat. d. Herzens, a. d. Engl. v. Choelant, mit Vorr. u. Anm. v. Kreïsig. Halle, 1816. — Burrow , D. de carditide acuta. Edinb. 1816. — G. L. Hertzberg, De carditide. P. I. II. Hal. 1817. — FocHii Riflessioni sulla diagnosi della carditide c pericarditide. Rom. 1819. — U en nec, 1. c. — IIeim, in Rüst's Magaz. Bd. VI. H. 3. S. 343. Berl. 1819. — C. U. J. Hcber, D. de carditide, quae epidemice grassata est inter militcs a. 1814, in obsidione castelli

Sluiten