Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klapvliezen, die het brandpunt der ontsteking en dikwijls alleen aangetast zijn, deel; de vochtstilstand en de daardoor bewerkte veranderingen kunnen zich tot op het tusschencelweefsel van de vleeschzelfstandigheid van het hart, en op deze zelve uitbreiden.

§ 237. Bodillaud verdeelt de ontleedkundige veranderingen der endocarditis in drie tijdperken: o) bloedophooping, verweeking, verzwering en ettering; b) bewerktuiging der afgescheidene stoffen en der vezelige zamen^ groeisels tot eiwitachtige of wratvormige uitwassen ; c) overgang in kraakbeen-, been-, of kalkachtige verharding van het endocardium. Wij beschouwen hier alleen eerst het eerste tijdperk van den vochtstilstand, daar de overgangen in uitwassen en verharding van het endocardium in de afdeeling over cardiostenosis behandeld zijn.

§ 238. liet endocardium is óf gedeeltelijk (vooral aan de klapvliesgedeelten), óf algemeen rood; de roodheid verschilt van levendig scharlakenrood tot aan het bruin- en blaauwrood; zij is of gelijkmatig uitgebreid , of vlekkig , als met een penseel opgelegd, gepuncteerd; zelden vindt men eene duidelijk vertakte opspuiting reeds op de binnenvlakte van het endocardium. Het is zeer moeijelijk, de roodheid van den waren vochtstilstand in het endocardium van enkele bloeddoordringing der weefsels na den dood te onderscheiden. Waar een ware vochtstilstand bestaat, heeft het endocardium bij de roodheid ook reeds zijne gladde hoedanigheid verloren, is ruw, fluweelachtig los op het gevoel, meer of minder verdikt, laat zich gemakkelijker dan in den gezonden toestand van het onderliggend celweefsel losmaken; zeldzamer vindt men sporen van stolbare uitzweeting op de vlakte van het endocardium, daar deze in het begin harer vorming meest door het geweld van den bloedstroom afgespoeld wordt, en geen tijd heeft, om zich vast met het endocardium te verbinden; is er stolbare uitzweeting of etter aanwezig, dan kan er omtrent de beteekenis van de roodheid geen twijfel bestaan. De roodheid door het intrekken van bloed is gelijkvoimig, niet vlekkig, niet getakt, zij strekt zich gewoonlijk tot in den oorspiong der groote vaten uit, dringt slechts oppervlakkig onder het endocardium door, wordt slechts aangetroffen op plaatsen waar bloed met hel endocardium in aanraking was, dus in gezelschap van vloeibaar of gestold bloed; somwijlen, niet altijd verdwijnt deze roodheid door weeken in water; de schakeringen dezer roodheid verschillen soms in de beide hartholten, donkerder in de holten der regter, helderder in die der linker helft; de lijkenroodheid van het endocardium komt voornamelijk in lijken van personen voor, die aan eene ziekte met ontbinding en ontbrekende stolbaarheid des bloeds geleden hebben, na typhus, kraamkoortsen, scheurbuik, langdurige longontsteking, na bloedontbinding door het misbruik van sterke dranken, gewoonlijk is ook de ontbinding van het lijk in het algemeen ver gevorderd. De aan den vochtstilstand eigene roodheid strekt zich niet in de groote vaten uit, komt vaker in het linker hart voor, dikwijls zonder dat de roodgekleurde holte eenig bloed bevat; onder het endocardium hangt de roodheid met eene duidelijke, zich dikwijls vrij diep uitbreidende vaatopspuiting der dieper liggende weefsels zamen ; zij heeft overal eene gelijkvormige tint. De donkerrode kleur neemt vaak in dezelfde evenredigheid af, als de stolbare uitzweeting toeneemt.

Sluiten