Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ports. Tol. II. 1818. p. 316. Ook in de Samml. auserl. Abh. B<L XXY1II. S. 704. — Sfiïta, Leichenöffn. S. 153. — Adass , Dublin Hospital Reports. Tol. IT'. p. 596. — Smith, Dublin Journal of med. Sc. July 1836. Tol. IX. p. 412. — Laessec, 1. c. Tol. II. p. 298. — C. Züm Tobel , Singularis casus degeneration. adiposae cord. etc. Tubing. 1825. — Naumaxjt, 1 c. S. 116. — Coplaxd , 1. c. S. 706. — Lobstedï , 1. c. S. 404.

— Piohby, Traité de Méd. prat. T. I. p. 230. — Joy , in Library etc. Tol. III. p. 365.

— Moxseret, Compendium etc. T. II. p. 331. — Hasse, 1. c. S. 213.

Ontleedkundige kenmerken.

§ 300. De vetzucht van het hart is van twecderlei aard ; zij bestaat of enkel in vermeerderde afzetting van een bleek- of goudgeel vet tusschen het weivliesovertreksel en de spierzelfstandigheid van bet hart, dikwijls tot diep in de tusschenruimten der spiervezelen in, — of de spierzelfstandigheid zelve ondergaat de verandering in vet. Het zou gevoegelijk zijn de eerste soort vetzucht, de tweede de eigenlijke vetontaarding van het hart (Lobstei.v's cardiodemie) te noemen. In het eerste geval is er dikwijls gelijktijdig eene groote hoeveelheid vet in het middelvlies, tusschen het hartezakje en het borstvlies opgehoopt. Op het hart ligt het soms § tot 1 duim dik, voornamelijk langs den loop der kransaderen, aan de grondvlakte van het hart, langs de randen van het hart, in de groeve tusschen de regter en linker helft van het hart, meer op de regter dan op de linker zijde; soms ligt het gebeele hart als in vet bedolven. Met deze vermeerderde afzetting van vet gaat altijd bleekzucht en verdunning der spiervezelen van het hart gepaard, deels ten gevolge van de drukking, welke de vleeschvezelen ondergaan, deels ook misschien door het doortrokken worden met vetachtige beginselen. Breidt de vetafscheiding zich in de spiervezelen van het hart uit, dan is toch meest de ophooping in de uitwendige lagen van het hart het sterkst en neemt naar de holten toe af (1), maar kan toch de spierzelfstandigheid zoodanig atrophisch gemaakt hebben, dat slechts eene dunne laag, welke het netweefsel der inwendige vlakte van het hart bijeenhoudt, overblijft. Evenwel kan men ook dan nog ontleedkundig de grens tusschen het vet en de verdrongen spierzelfstandigheid aantoonen. — Anders gedraagt zich de eigenlijke vetontaarding, die de spierzelfstandigheid zelve aangaat. Hier is geen weefsel van spiervezelen meer te herkennen , dit is in vet veranderd, heeft de kleur van dorre bladeren, is broos. Yet en spiervezel steken niet scherp bij elkander af, maar gaan van lieverlede in elkander over (2); de schijnbaar niet veranderde vezel laat ook tusschen papier gedrukten vetvlek daarop na. Bizot heeft het weefsel van het in vet ontaard hart met dat van de lever vergeleken. Deze ontaarding is meestal slechts gedeeltelijk, en komt voornamelijk aan de hartspits en vandaar naar boven toe voor. Met de vetzucht gaan ook dikwijls hypertrophie van het hart, atheromateuse ontaarding van het hart en van de slagaderen gepaard. Men heeft op het bloed van

(1) Eiliotsoj verhaalt een geval, waar enkel aan de buitenzijde van het hart nog eene zeer dunne spierlaag over en al het overige vetmassa was.

(2) Of deze ontaarding ook niet alleen van het atrophisch worden en verdringen der spiervezel berust, is nog twijfelachtig en hiervan is nog de opheldering van bet microscoop te verlangen. Terg. Glcgk's anat, micxosc. Unters. H. I. S. 125,

Sluiten