Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stoppingen in den, onderbuik worden voorloopers te weeg gebragt; óf een lange duur der ziekte verwekt stoornissen van de spijsvertering, die den aanval voorafgaan.

§ 327. De zenuwpijn is hier karakteristiek; altijd is daarmede het gevoel van naderende flaauwte, die dikwijls tot werkelijke syncope klimt, het gevoel van doodsangst verbonden ; men heeft dit gevoel eene zielshoedanighcid van deze eigenaardige pijn genoemd, het gemoed des lijders wordt daarbij diep aangetast; velen voelen een onuitsprekelijk persen, zamensnoeren, of eene uitzetting van het hart, alsof het barsten zou; anderen hebben hel gevoel alsof het hart bleef stilstaan; de pijn is dikwijls scherp, snijdend, alsof de borst opengereten werd. Rust en het vast steunen met de borst tegen het een of het ander voorwerp verligt het pijnlijk gevoel.

§ 328. Verschijnselen der medewerking. Het pijnlijk gevoel straalt, gelijk reeds gezegd is, in de naburige zenuwbanen van de borst, van den hals, van de armen, van het middelrif uit, waarschijnlijk geschiedt deze uitstraling door bemiddeling des ruggemergs. Het veelvuldigst is de pijn in den linker arm, zij breidt zich dikwijls slechts tot aan den schouder, en den elleboog, dikwijls ook tot in de vingertoppen uit; de zieken hebben het gevoel van een pijnlijk tintelen; soms straalt het in de beide armen, over eene geheele zijde uit. Bij vrouwen is somtijds de borstklier voor drukking zeer gevoelig. Zeer zelden gaat de pijn in den arm die van het borstbeen vooraf.

Ook de ademhalingswerktuigen zijn synergisch aangetast. De zieke voelt zich in het ademhalen belemmerd, meent te stikken, is sprakeloos. En toch is deze belemmering van de ademhaling slechts schijnbaar, geene ware dyspnoea, maar apnoea; met eenen vasten wil kan de zieke diep inademen; andere teekenen van belemmerde ademhaling, hoest enz. ontbreken.

§ 329. Niet altijd is er hartklopping ^anwezig; men neemt eer eenen vlottenden onregelmatigen hartslag, eer eene verminderde dan vermeerderde werkzaamheid waar. De pols is meest klein, zwak, een weinig versneld, dikwijls onregelmatig; maar hij kan ook hard, vol, onveranderd zijn en soms is hij aanmerkelijk vertraagd; dat hartslag en pols door zamenstelling met organische hartziekten op velerlei manieren gewijzigd moeten worden, is begrijpelijk.

5 330. Slechts zelden grijpt terugkaatsing der zenuwpijnbeweging op de beweegzenuwen plaats, als stuipachtige spierbewegingen enz. Daarentegen worden gedurende den aanval het gelaat en de ledematen koud, bleek, bedekken zich met koud zweet; de gelaatstrekken zijn krampachtig vertrokken; de bewustheid vergaat, en de zieke valt soms als schijndood neder. Meestal behouden de zieken hun bewustzijn gedurende den geheelen aanval.

§ 331. Duur en einde van den aanval. De aanval duurt in het begin der ziekte meestal slechts weinig minuten in zijne volle hevigheid; later worden de aanvallen langer gerekt, maar zijn dan minder hevig; zij duren i — 1 uur; eindelijk kunnen verscheidene gedeeltelijke aanvallen spoediger of langzamer achter elkander volgen, zoodat de zieke verscheidene dagen achtereen niet geheel vrij wordt. Wanneer de pijn nalaat, volgt zij meest de omgekeerde rigting van hare uitstraling en laat in de borst een gevoel van geslagenheid, in den arm stramheid en stekend mierenkruipen na. Ge woonlijk lost de kramp zich onder verligtend opgeven van winden en zweet,

Sluiten