is toegevoegd aan uw favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekkend, terwijl hij met zware stem, een bekend tooneelspeler nabootsend, verzen zei.

Wanneer ze in de couloir van de opera zijn, en hij ziet, hoe Riek met opzichtige gebaren haar kapsel wat vaststeekt voor den spiegel, gaat hij achter haar staan, en beziet nog eens zijn gezicht; dan glimlacht hij. Riek meent, dat hij tot haar lacht, en doet eveneens; Henk glimlacht terug, bedenkend, dat al dit lachen eigenlijk een vergissing is, doch heel niet zoo erg, want hij is vroolijk, eigenlijk, uitermate verheugd : Riek was heel mooi, werd steeds vriendelijker tegenover hem; hij was toch wel een gelukkige vent, goed bezien. Alleen dat schilderen hinderde hem. Welnu, hij behoefde dat toch niet te doen, zou ermee ophouden. „Ik ben bereid de omstandigheden te aanvaarden zooals ze zijn," praat hij in zichzelf, dan, luid tot Riek, die, mallend, een aanmerkinkje op zijn kleeding gemaakt heeft: — Dit pakje is mijn geheele inventaris behalve mijn gereedschap; vind je het niet smaakvol? Voor véle jaren hebben lui me al gecomplimenteerd over de coupe.

— Heb je geen rok? vraagt ze plagerig.

Neen. Zoolang menschenheugenis reikt, was er nooit een rok in mijn familie.

Geen smoking ook?

— Ik heb deze ook nimmer vermeld gevonden in de annalen van mijn voorgeslacht.

— Zou je er geen willen dragen? lacht Riek.

Liever een smoking dan een rok, ja. Een rok vind ik een irriteerend ding; daar is iets antediluviaansch in.

Riek lacht, doch kijkt gelijktijdig een man aan, die hen voorbijgaat. Henk bemerkt dit, ziet naar den man, een correct gekleeden heer, die, met de vingers, waaraan zeer vele kostbare ringen zijn, zijn knevel opstrijkt, terwijl hij een blik van verstandhouding heeft naar Riek. Henk zou hem dood kunnen slaan.

— Ken je hem niet? vraagt Riek, en haar oogen blinken.

- Neen, doet Henk kort.

— Dat is Bettermann, de bankier, een schatrijke kerel.

— Zoo?