is toegevoegd aan uw favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch ook aantrekkelijk, ze zou niet kunnen zeggen waaróm, maar ze voelt dit zoo.

Het is schemerdonker in de zaal; voorin, in de diepte, speelt het orkest, op het verlichte tooneel zingen de menschen. Henk let er nauwelijks op, vele gedachten verdringen zich in zijn hoofd.

In de entre-actes gaan ze, op haar verlangen, telkens in de gangen wandelen. De mannen, die er heen en weer loopen, zien haar schaamteloos aan, lachen verholen om haar uitdagende coketterie, die haar de passen doet afmeten, het lichaam wiegelen, den oogen een gloedje verleent bij het blijvend aankijken van eiken man, die haar voorbijgaat. Men lacht ook wat om den onnoozel gekleeden vent, die naast haar als een knecht is: Henk. Onder het gaan in de menigte praat ze veel met hem, om een aanleiding tot lachen te vinden, opdat men haar goede gebit zal zien: ze spreekt dan luid, en geaffecteerd om de aandacht te trekken. Twee mannen staan met elkaar te praten; het is duidelijk merkbaar, dat ze over haar spreken. Riek loopt met opzet rakelings langs hen heen; een glimlach is om haar mond.

— Ken jij diè ook? vraagt Henk, haar spottend aanziend. (Hij had wel uit het gebouw willen vluchten.)

— Ja, zegt Riek, — jij niet?

— Ik ken zulk crapuul niet, kijft Henk, heel luid.

— Crapuul! Crapuul! doet Riek, geprikkeld door dit minachtend spreken van Henk, hoewel ze de twee mannen niet dan van aanzien kent, — weet je wel, dat die een, die groote, een gezant is, en de andere is een bankier en consul. Crapuul! — Die lui verteren meer in eèn dag dan jij in een maand, voegt ze er lachend bij, als om haar onredelijken uitval te verzachten.

— Een paar ziellooze hoofden, smaalt Henk, — ze zijn ongemotiveerd leelijk.

— Mooi zijn ze niet, zegt Riek gemoedelijk, — maar dat hoeft niet; ze zijn rijk, dat is het voornaamste.

— Vind je dat het voornaamste ? doet Henk ernstig, terwijl hij haar scherp aanziet.

— Zeker, natuurlijk, antwoordt Riek wat opgewonden.