is toegevoegd aan uw favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat zou ik niet kunnen zeggen.

Wat ben jij een onmogelijke jongen.

Onmogelijk ben ik niet, want dan zou ik er heel niet zijn. En ik ben er.

Zoo? Weet je dat wel zeker? plaagt ze.

Neen, als je het weten wil. Ik voel soms zoo iets onwezenlijks aan mijn bestaan, dat ik meen, niet in werkelijkheid te leven.

Nu, je bestaat, hoor. Ik zeg het je, lacht Riek.

Willen we weggaan? dringt Henk nog eens aan.

-—• Waar wil je dan heen? vraagt ze.

-- Dat kan me niet schelen, zegt hij, — naar mijn huis, of naar het jouwe, of naar een café, als we hier maar vandaan zijn.

Vind je het hier dan zoo onprettig?

Nü wel, nü vind ik muziek onuitstaanbaar.

—- Waarom nü juist?

Mijn kop staat daar vanavond niet naar.

Een heer in een loge naast de hunne laat een luid St! hooren. Henk kijkt hem grimmig aan, doch terwijl hij dit doet, vindt hij zich een zot: die man had gelijk; het praten van anderen gedurende de muziek hinderde hèm ook menigmaal. Toch blijft hij den man aanzien tot deze voor zich kijkt.

We moeten toch op het rijtuig wachten, fluistert Riek, — maar het duurt nu zoo lang niet meer.

Onwillig knikt Henk, dat hij wel geduld zal hebben indien het moet. Hij vindt het onzinnig van haar, zoo ze weg wil, zich eraan te storen of er al of niet een rijtuig wacht, doch hij durft dit niet tegen haar zeggen; hij kon wel loopen, maar zij niet in die kleeren. Maar als er nu brand kwam, valt het hem in, •— dan zou ze niet op haar rijtuig wachten, maar vluchten op haar voeten; ze zou al haar trots vergeten, de menschen wegduwen, en in een hèvigen nood zou ze wel trappen, slaan om haar lijf te redden. Ineens bemerkt hij, dat het doen der menschen op het tooneel zijn aandacht gaande maakt. Het is in het laatste bedrijf, wanneer Carmen en don José samen zijn voor de poort der arena, waar Escamillo is binnengegaan en nu met den stier vecht. Carmen