is toegevoegd aan uw favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het huis is stil.

Zeer ver klinkt een gedempt geluid der stad, het zoeven van een tram, de bel rinkinkt met korte tusschenpoozen, een rijtuig rolt.

Het is alsof ze samen in een toren zitten, in een hoogen toren, daar, in die hooge kamer van dit huis.

En ze gaan spreken:

Henk vangt aan. — Ik heb zooveel aan je gedacht, zegt hij, — wat was het een vreemde avond, die van gisteren.

Dan Riek: Ja, dat was het ook, ik kon daar toch niets aan doen, en jij ook niet, maar het was zoo. Ik heb aan jou ook veel gedacht.

— Hoe dacht je dan aan me?

— Ik weet het niet. Ik dacht zooveel.

— Vertel me eens, toe, vertel me eens wat je al zoo gedacht heb.

Dat zou ik niet kunnen, jongen. Nog nooit zoolang

ik leef heb ik zooveel moeten denken, maar het is te verward om ervan te verhalen; ik zou er geen weg in kunnen vinden.

— Probeer het eens.

— Neen, neen, ik zou het niet kunnen. Het is niet alleen dat de gedachten te veel en te verward zijn, ze zijn ook elk op zichzelve te zwaar voor mij; mijn vermogen tot begrijpen is niet zoo geoefend, zoo krachtig als het jouwe. Ik kan er geeneen aan; elke is me te zwaar, geloof ik. Ik

begrijp ze niet. .... ,

— Is er geeneen gedachte bij, die je zeker bent te begrijpen, Riek?

Ze zwijgt even. Dan: Ja, éen is er wel, die ik begrijp.

— En welke is dat?

— Ik zal probeeren of ik het zeggen kan. Sedert wij met elkaar gepraat hebben, is het zoo mal met me gegaan. Ik ben heel niet meer uit geweest, heb niemand ontvangen. Maar dit is het malle eigenlijk niet. Het malle is, dat het wel lijkt, of ik niet wel bij mijn verstand was vroeger, of ik nu ineens heel anders, beter dan toen, de dingen zie. Wat ik voor nog geen week geleden niet zoo heel erg