is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— De menschen zien er allemaal verbalemond uit.

— Ja, precies zoo grauw alsof zij in dagen niet gewasschen zijn.

— Van het stof en de verbauwereerdheid!

Lustig brak de zon door. Het licht straalde warm over het groen en de trekkende menigte. In de verte lag het dorp.

— Kom langs hier, Madame, wij zijn te Cappellen en nu zullen wij probeeren een rijtuig te vinden. Wij moeten vooral uit het volk en het gedrang geraken.

— Wat een geluk dat ik u getroffen heb, prees Marie, ik zou verloren loopen.

— Gij zijt ook nog zoo jong, Madame.

— Toch vijf-en-twintig!

— Och ik zes-en-dertig!

— Dat zou men niet zeggen.

— Och oud ben ik wel niet... Maar hebt ge geen familie?

— Ja, een broer en een zuster, maar die zijn met hun eigen huishouden reeds lang vertrokken. Ik, met mijn witgoedwinkel kon niet weg; mijn-man was klerk in een assurantiebureau.

Over de statie in een herberg, konden zij een kop koffie bemachtigen en terwijl zij slurpten, hoorden zij den stationschef vertellen, dat er nog zooveel treinen mogelijk naar Holland zouden vertrekken. Verder dan Eeckeren konden zij zich niet wagen, maar het personeel deed zijn best om de vluchtelingen te helpen... De coiffeur pinkte vol verstandhouding en Marie begreep den geheimzinnigen wenk. Weldra stonden zij op het perron tusschen de onrustige reikhalzende menigte.

— Als we daar mogen in gelukken!

— Goed oppassen en mi,] volgen. Eens over de grens