is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden in zijn geest. Niet langer kon hij stil zitten, liep den gang door, den trap op naar de slaapkamer.

Hel licht sloeg hem tegen. In een porceleinen kom, in zand geplant, stonden er kaarsen te branden ter nagedachtenis van overleden familieleden. De kamer was bezwaard door den vetten walm.

Vertongen keek naar de lichtjes. Er waren er voor de ouders, voor den nooit weergekeerden broeder, voor twee vroeg verloren kinderen, voor een onlangs verdronken loods, voor verre familieleden.

De vlammetjes pinkten en knapperden. De loods, die gemeenlijk een beetje den vrijdenker uithing, kende dit jaarlijks verborgen doen van zijn vrouw. Het gold de zieltjens in het vagevuur.

Onwillekeurig was hij toch geroerd. Hij zag de weifelende schaduwen aarzelen rond de schittering, dacht aan de afgestorvenen. De kaarsenreuk maakte iemand beroerd, oordeelde Vertongen, schoot zijn jas aan en nam zijn gloednieuwe dienstklak met gouden biesjes uit de kleerkast.

Beneden, na vluchtig afscheid, liep hij de straat op. Vurig glansden de herfststerren aan den hemel en de koude prikkelde vinnig. Hij stapte de stille straat door naar de aloude herberg «De Koei».

Rond de leugen taf el zaten Wouters, de beenhouwer, Lekens, de stouwer, Mathyssens, de smid, en de waard zelf stilzwijgend te rooken. Met Vertongen was het gezelschap der fantasten volledig.

t Is koud, zei Vertongen, om iets te zeggen, terwijl hij zijn garsten proefde en zijn doorrookte pijp vulde

— Het vleesch bevriest in mijn winkel, overdreef Wouters.

— Er drijft ijs op de rivier, loog Lekens.