is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kens begonnen de jongens opnieuw met hun opwindend verhaal.

Zekeren dag kwam het ergste en tevens de ontgoocheling.

— Duyvenstaert, nu kunt ge ze zien, fluisterde een schilder, kom.

En Duyvenstaert ging mee. De deur van een atelier stond op een kier. Stillekens slopen zij binnen, de schilder, Duyvenstaert en drie medeplichtigen.

Een tochtscherm was opgesteld voor de deur.

— Kruip gij nu maar op mijn schouders, fluisterde de schilder, en loer maar goed. Seffens zullen wij dan zien.

Zijn handen klampten vast boven het tochtscherm, zijn oogen gingen spiedend door het atelier en hij zag het model!... Een oogenblik slechts, want onder hem weken de schouders weg, het scherm wankelde... Hij hoorde een gegichel en gestommel en een vrouwenstem gilde. Toen sloeg hij voorover in een wolk van stof... Even bleef hij liggen, verdoofd door den slag en den schrik, vloog dan jammerend recht en vluchtte de gangen der Academie door de straat op.

Daar stonden de bengels te gieren van plezier. Hij weende van ergernis en thuis, voor den spiegel, zag hij zijn gelaat als besmeurd met slijk door stof en tranen.

Van dien dag af was Duyvenstaert de vrouw gaan haten.

De herinnering was een heilzame les,nu de toevalligheid hem zoo vreemd geplaatst had in de kinemazaal, midden van de vrouwelijke verleiding.

Schuw trok hij zijn rechterarm van de leuning weg, waar hij weer een zachte aanvoeling meende gewaar te worden. Gelukkig kwam het licht en joeg een schelle, verblindende witheid door de zaal. Hij duifde niet