is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht scheen niet helder, de waardin zat te knikkebollen achter den toog, de gar§on had reeds eenmaal luidop gegeeuwd.

De eerste was een bedaagd, mager man met grijze bakkebaarden. Hij leek argeloos en inschikkelijk. Een beetje verwondering lag in zijn oogen want hij was doof... De doofheid was hem een edel gebrek dat zeer nuttig hielp in zijn leven. Als rentenier voorkwam hij hiermee aanslagen op zijn beurs, en als raadslid kon hij zonder bezwaar meeknikken met de meerderheid.

De tweede was een schraal schoolmeester met een geitenbaardje, een sluw en pedant man. Hij hield het doove raadslid tot vriend in de hoop dat deze toch eenmaal zijn aanspraken zou verstaan om een sport hooger te klimmen in de maatschappij. In verkiezingstijd hield hij voordrachten en dineerde dikwijls ten huize van zijn goeden vriend. Men rekende hem tot de wakkere strijders, en hij zelf herinnerde menigmaal aan zijn dertig dienstjaren in de politiek der gemeente.

De derde was een zwierig, fleurig heer, wiens oogen verborgen zaten achter de groote glazen van een schildpadden bril... Zijn taankleurig gezicht, omlijst door een zwarten baard, stond strak van voornamen ernst. Hij was overste van de afdeeling buitenissigheden.

De vierde was een burger, een zeepzieder, een belastingschuldige. De zwaarlijvige man had klare, openhartige oogen en een neerhangende, bruine snor.

De grillige toevalligheid had dit klaverblad van vieren samengesteld. De kaarttafel had hen vereenigd.

De burger sloeg de oogen op van den hartenboer naar den baard van den overste der buitenissigheden. Onder een zenuwtrek brak hij den langen steel zijnei steenen pijp en wierp de stukken op den vloer.