is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ner taveerne. Op het raam lazen zij het uithangbord: «Troeadéro». — Het sloeg elf uur op den toren.

— Hier? vroeg de Fin.

— Aardige meisjes, zei de Dichter.

De «Troeadéro» herinnerde niet aan het weidsch paleis! Tegen den straathoek opgetrokken, was het huis doodgebouwd tegen den achterkant van het politiebureel... De taveerne was een voorschoot groot, een toog en twee tafels met acht stoelen lieten amper plaats voor de klanten. Het kacheltje ronkte en het gaslicht scheen vroolijk. De Dichter lei een takje mimosa en een tuiltje viooltjes op het wit marmeren tafelblad. De bloemen had hij in den vooravond gekocht van een bloemenmeisje met zachte oogen. De Fin stak een donkere sigaar op en bestelde twee glazen stout aan het verfomfaaid dienstertje in roode blouse...

Opgewekt stond de bruinharige Ida achter de schenktafel en zei onbenullige en vriendelijke dingen. Zij sprak Engelsch, doorspekt met Brusselsche grappigheid.

— Een schoone Kerstavond, zei ze, er is geen mensch op straat... Slecht voor de zaken...

— Och, wat, antwoordde de Fin.

— Het is heerlijk buiten, meende de Dichter, een heerlijk witte kerstnacht; de stad is stil, vol wit en zilverlicht.

— Ja, knikte de Fin, die geen woord verstaan had, want nu sprak de Dichter Vlaamsch.

— Met wat curieuze vent zijt ge nu op gang, vroeg Ida.

— Een dichter van de Finsche meren... een groot man uit het Noorden!

— Bah! Poëten hebben geen eens, minachtte Ida.

— Beleedig ons niet, begeerlijke vrouw!