is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sinjeurs om telkens aan de meiden teeken te geven wanneer de glazen leeg waren. Zij rookten bedaard hun lange, goudsche pijpen en keken de blauwe, opgrauwende wolkjes na. In de bruine duiveloogjes van den waard schitterde bij wijlen een aardige gloed. Hij was een menschenkenner, een vreemd man, een kwistenbiebelig wijsgeer. Niemand kende zijn verleden... Hij was weduwnaar, zei hij, kwam van God weet waar, had de aarde rond op schobberdebonk geweest, kende de wereld, de menschen en vele drijfveeren van het leven. Zijn vreemdheid was de aantrekkelijke zieletroost van het looze broederschap der nachtraven... Zag hijzijn bloedjes zoo stil en teruggetrokken zitten in de vermemelde zetels aan de witgeschuurde, ronde tafels, dan schraapte hem iets in de keel, dan roerde hij met de wit-steenen luciferspotten. Hoe later het werd hoe spotlustiger zijn oogen fonkelden, en verlengde zich de drukkende stemming tot na middernacht, dan begon hij zelf luidruchtig te vertellen, verhaalde splinternieuwe schandnieuwsjes uit de stad, gaf paradoxen ten beste, putte in zijn rijke ondervinding, vond pittige moppen of verzon maar wat. Telkens kon hij de gezichten doen opklaren, het jammervol nadenken weren, in «De Eenoogige Kapucien» de wereldsche leutigheid wekken, waartoe de diensterkens wel rap en ruig hielpen. Nieuwe pijpen werden ontstoken, de glazen gevuld en het leven flakkerde weer op in de gasten. In een smoorwaas zagen zij de fantastisch, wiebelende vliegvisschen met touwkens grillig aan de balken opgehangen, de scherpgebekte albatroskoppen aan de wanden tusschen de oude, verkleurde prenten in vuilgouden lijsten, afbeeldingen uit Dr Faustius' leven, uit het leven van iemand die eens zijn ziel aan den duivel had verkocht. Een schildpad kroop traagjes over