is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den houten vloer, en een zwarte spits, met oogen troebel van ouderdom, lag te loeren en te waken op de mat aan den ingang. Achter den toog met zinken beslag waren de schabben met veelkleurige f'lesschen en glazen bezet. Tusschen de vensters, met neergelaten rolgordijnen, hingen reklamen, plakkaten voor jenever en fijne specialiteiten. Een stelde een oud, gladgeschoren, vet-glimlachend, fleurig-onnoozel ventje voor, in een hand hield het de kruik, in de andere den roomer, symbool veler gelukzaligheid. Links van den toog, — weerszijden van den almanak, die men nooit bijtijds de blaadjes aftrok, hingen twee waarschuwingen in zilveren letters op zwarten grond: «Mensch aerger dich nicht» en «Man borgt am SOsten Februar!» Deze rare machtspreuken werden er eens door een lang vergeten, Hamburgsch buffetmeisje opgehangen, en haar dwaze luim bleef aan den wand. De buien van eenzelvigheid waren dus nooit van langen duur. Gemeenlijk ook had de nachtploeg praats genoeg. Over alle mogelijke dingen werd gewauweld, heel de stad reed op de tong der grage nachtwijsgeeren, gewichtige vraagstukken van binnen- en buitenlandsche politiek, sociale verhoudingen werden er menigmaal en in uiteenloopenden zin opgelost, geregeld, bedisseld, of in heftigen woordenstrijd enkel gewikt en gewogen. Ondanks al het licht dat van deze menigvuldige vergaderingen uitstraalde, was er wel niemand zoo onnoozel zich door deze bespiegelingen zoomin als door het leven zelf te laten bedonderen. 't Is alles toch zoo betrekkelijk, en tusschen droom van nachtelijk gezwets en werkelijkheid van dagelijksch bestaan ligt immers het land van praatjes voor de vaak, waar de vogels purperen cravaten dragen! Was er soms één die een stokpaardje gevonden had, keer op keer tatewaalde over zijn eigen, naakte