is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

chende maan die me nalonkte, maar het dubbel garsten en het overtollige rooken verdreven de literaire bevliegingen, die vaak de maneschijn aanbrengt... In het guur seizoen met zijn lange nachten werd ik soms verrast door stuivende sneeuwjachten, en ik liep dan over het witte donstapijt als verloren. Maar helder klonken mijn stappen in de vriesnachten, en in jolige opgewektheid fantaseerde ik op de motieven van den avond, en hoe doller de wind voer en hoe klaarder de sterren stonden, hoe schotscher en ongewoner de droomen werden. Regen was wel de ergste ellende. Een miezerige motregen kon zoo treiterig zijn klammen adem in het gelaat jagen en de wegenis glibberig maken. Een neervlagende wolkenbreuk, waaronder men geen hond zou voortgejaagd hebben, dreef u terug onder de beschutting eener deur, en gebeurde het iemand zoo te treuzelen, dan zag hij de roode lantaarn uitdraaien, de deur sluiten en het werd donker in «De Eenoogige Kapucien». Och dat huiswaarts keeren was de pest. Hierdoor werd mijn plezier bedorven dat ik smaken mocht in het gezelschap der nachtraven. Ik staakte plots mijn bezoeken, overtuigde mijzelf meer vreugde te rapen met voor dood te liggen ronken in mijn bed, vermeed de buurt, volgde niet eens de lijkbaar van den waard. Toen de man in de vastgeschroefde kist geborgen lag onder vier voet aarde op het kerkhof, was ook het nachtelijk huishouden van den dwazen aartsvader aan de vier windstreken verspreid. Na korten tijd vergat ik de maten en hun vertelsels.

Schooner levend door de herinnering werden heden, in een mistig-wazigen herfstdag, terwijl ik wandelde langs een breede baan onder eikenboomen, uit wier kruinen de verijzermaalde bladeren neerdwarrelden, de'lang vergeten nachten in mijn geheugen gewekt...