is toegevoegd aan uw favorieten.

Wat moeder zong in herfstavonden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vinding !

Maar ik was jong en zong, en vergat al spoedig de oude bedelares.

En de hagedoorn bloeide wit en rood! En de goudenregen neeg in voorname weelde aan de boomen ! En seringen geurden fijn en

frisch ! En ik zong !

In den Junimorgen klaarde en parelde de dauw, en ik zong !

Voor mij stond een jongman, slank en lenig in zijn kleed van waterblauw fluweel. Frisch was zijn aanschijn waarin twee bruine

oogen fonkelden.

Hij was volmaakt door veel bevalligheden. Een prinsenzoon gelijk. Hij droeg lange lokken en een degen aan de zijde, en m zijne hand hield hij een ruiker roode rozen. Ik was beschaamd, en spon met neergebogen hoofdje !

Lang keek hij mij aan, toen zei hij vriendelijk goedendag, en kwam beschroomd al nader. Mijn wielken snorde eens zoo snel, ik beefde van ontroering zoodanig dat mijn draadje brak. Ai gauw knoopte ik het draadje vast, maar ik was zoo jong en zoo beschaamd, en spon met neergebogen hoofdje ! -

Zijn arm leunde nu op mijn stoel, en hij roemde zoo sierlijk mijn spinwerk ! Ik voelde zijn warmen adem, en hoorde hoe hij mij vleiend zijne liefste noemde. Ik was heel jong en zijn lof verwon mijn hart ! Maar ik was beschaamd, en spon met neergebogen hoofdje !

Minzaam lonkte hij en nam mij bij de hand, zoodat mijn wielken stil viel.... Zijne stem was zacht en ingetogen, wanneer hij mij fluisterde dat in het gansche land geen poezeliger meisken te vinden was. Dat verheugde mij bovenmatig, want ik was jong ! En... dat verheugt ons immers altijd.... Doch ik deed opnieuw mijn wielken snorren, was beschaamd en spon met neergebogen hoofdje !

Al bemeesterde ik mijne ontroering, al verborg ik mijn g-Iaat,