is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit grauwe nevels

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de voorzangster, eene lange vrouw met een gelaat vol goedheid, haar oudere gezellin, een klein gelaten figuurken, zat te midden der zeelieden. Weer opnieuw begon het sleepend zingen als een lang, smeekend gebed. Jonge en oude mannen zaten er dooreen, er waren er jonge blondharigen en oude gebronsde en gerimpelde zeebonken, allen onbeweeglijk aandachtig, een enkele, een weinig terzijde, zat half ingedommeld in de schaduw.

Hield het zingen even op, dan hoorde men buiten het vloeden van den wind en het krijschen van den bengelenden lantaarn. Later kwam er nog een meezingen in het koor, een met eenen vollen, rossen baard.

Eindelijk brak een stoelverschuiven de stilte van den rustigen bedeavond, schoorvoetend vertrokken de mannen, bedeesd ging den slaper heen. Aan het orgel stond de lange zendelinge en wenschte hen «goeden nacht», de oudste sloot de deur achter hen met een laatst «Farewell».

Ze verdwenen in den regen, links en rechts, doelloos loopend met schommelende lijven ; alleen een hooge zware kerel bleef weifelend wachten.

De regen viel kil en ongezellig van uit den duisteren, gesloten hemel. Plots in 't licht