is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit grauwe nevels

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vloekten ; de paarden hinnikten en snoven lustig de luclitop; zij schudden hunne ruige manen en trappelden dan trage voort. In groepen was toen 't volk vertrokken, onder leiding van bazen, naar de dokken waar de scnepen lagen die ze moesten ontladen, naar waren, kisten en zakken, naar graan, ijzer en huiden, naar al wat ze gingen bewerken. Zoo was de beweging ingevallen, met daverende onrustigheid, door de gloeiing van den dag, met versmoord lawaai en warse kreten. Daarna waren de kinderen gekomen, jongens en meisjes, zoo'n heele Dent, die leven brachten op het plein, waar hij nu, in zijne verlatenneid, stond te arbeiden. Ze keken naar dien ^ent die daar hoog stond als den meester van het hooi. Toen hij hen niet scheen te bemerken werden ze vranker en kwamen dichter, nu niet langer beschroomd, elkaar neerstootend in het droge gras, dartel en speelziek. Later waren er nog bijgekomen, onbedeesden, tot het werd een grieweling van armen en beenen en lijven, opduikende lachende gezichtjes in een rumoer van grappige vreugd. Ze bekommerden zich niet langer om dien vent, daar werkend in de zon, noch om den dag die doorging. Zij bedolven elkaar onder het hooi, spartelden op, maar werden weder