is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit grauwe nevels

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alom, heef laag onder de sterren, die als zooveel pinkende kaarsvlammekens in den hoogen hemel branden. Beneden in de straat glommen weifelend de lantarens ; de gesloten vensters waren als gordijnen van verdoofd licht, en enkel uit de groote vitrienen stroomden glanzende vierkanten over de hobbelige, droge straatsteenen, daar in grillige ruitjes afgeteekend.

Onbevangen brak de rang, als waren de bedeesde schoolknapen van daareven nu eensklaps bemeesterd door 't avondlicht. In blije overmoedigheid zongen zij en floten in de stille straten ; stoeiende en lawaaiende bengels in de zekerheid van onbespied te kunnen ravotten. De wind buitelde rukkend en krijgerig langs hen heen, door de straten naar de dokken toe, zoo over de Schelde en verder het land in. Janneken, een snoeterig kruidje-roer-mij-niet, stond plots blootshoofds. Versteld zag hij zijne pet na, die meegepakt door den speelziek-blazenden wind, dwars door de straat voortrolde.

— Jongens ! Jongens ! zie Jannekens pots maar rollen!... tierden zijne makkers, en meteen stoof heel de bende er achterna. Jannekens oogen werden vochtig, de wind deed zijne blonde vlashaarkens wuiven,