is toegevoegd aan uw favorieten.

A. Rodenbach bij de studenten te Leuven herdacht op 12 februari 1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarheen verhuisden ook boeken en schriften; daar herzag hij, verbeterde en gaf in druk de twee eerste bedrijven van Gudrun. Hoe speet het hem dit alles maar zoo onvolkomen te kunnen doen ; hoe geern had hij 't werk door en door veranderd en hoe verlangde hij, eens genezen, de hand eraan te leggen.

Maanden lang heb ik hem met onverdroten liefde bezocht en zijn hert en genialengeest door en door leeren kennen. Hoe deerde het mij hem hulpeloos te zien wegkwijnen! O smertelijk gevoel, onverbiddelijke zekerheid ! Hij moest — hij moest — dood.

In die lange ziekedagen en donkere winteruren kon de geweldige en gestadige koorts niet een oogeublik den edelen geest bedwingen. Ook het gemoed bleef sterk en vast. Ofschoon hem dag bij dage het droeve lot klaarder werd, t was uitname als soms het verhitte bloed de overhand kreeg en het denkend hoofd moedeloos neêrzonk. Daar lag hij, en keek door de vensterramen naar den grijzen winterhemel, en zag de donkere wolken voorbij trekken, terwijl hij droomde van Vlaanderen en « in mijmering en spannende gevoelens » van verre zijn groene hagekanten zag,zijn doomende weiden, zijn veie koorn- en koolzaadvelden, zijn boomen en torren en blauwende verten.

Eenen morgen was de zonne helder in 't oosten gestegen en stond, 1e middag, brandend in 't blauwe veld des hemels te gloren. Geen wolk, geen damp in de lucht. Na lang verbei was de goede zonnewarmte de ziekekamer binnengedrongen en lag daar in gouden stralen te rusten. Lachend over 't schoon weder, ontving mij de zieke met gewone heuschheid en minnelijke vriendschap, en, bij 't weggaan, haalde hij van