is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar rijdt een' knappe vrouw voorbij, van top tot teen getooid in zij :

al wat ze wil, dat heeft ze, in weelde en vreugde leeft ze. 't Was eens een boerenmeid, nochtans ! maar zij verkocht haar maagdenkrans, leerde eergevoel verzaken,

en deed het klompenmaken !

Kent gij dien magren schrijvelaar met plat gekamd artistenhaar ? Wat groot is en verheven,

moet vóór zijn penne beven; de laster is zijn trouw genoot,

de jongen wint galant zijn brood met op den roem te braken, of, wilt ge, 't klompenmaken!

Hoe menig vreemdling zit er niet, o Vlamingen, tot uw verdriet,

aan 's lands budget te smullen, en buik en zak te vullen;

terwijl gij uitsterft van gebrek, een gouden juk op uwen nek! — Zij waren slechts, die snaken, doortrapt in 't klompenmaken!

Nu raadt gij, vrienden, al gewis,

wat of het klompenmaken is;

en laat ze viezevazen,

die tegen 't stieltjen razen. Een domkop noeme 't snood en kwaad ; om iets te worden, vroeg of laat, en aan het geld te raken,

studeer' men 't klompenmaken.

Almanak voor Jan en Alleman, i856, bl. 40*