is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ach! voeet-de 't nog, A3or?

Mijnen vriende den tooneelspeler, F. van Doeselaer.

Wijze : Herinnert ge u die zegenrijke dagen? of : Mon pauvre cceur, il ne faut plus aimer. of : Te souviens-tu, disait un capitaine.

Ach! weet-de 't nog, Azor, hoe ik voordezen gelukkig was als 't vischken in den vliet,

toen ik beminde en weêr bemind mocht wezen,

toen schoone Roos mij haren vrijer hiet ?

Wij hadden haar ons be der heil te danken :

'k was goed voor u als zij het was geweest.

Toen moest-de niet om lekkre beetjens janken... Ach! weet-de 't nog, Azor, mijn arme beest?

Mijn Roosken, o! wat had zij aardige oogen

en handjens zacht gelijk een tijgersvel!

Haar wangenpaar hadde eene bie bedrogen,

want haren naam verdiende zij zoo wel!

Wat smaakte mij een kusken van haar mondjen ! —

't Was in mijn hart steeds lente en kermisfeest!

Dat gold voor u zoo menig suikerklontjen...

Ach '■ weet-de 't nog, Azor, mijn arme beest? (i)

Omdat ik haar geen zijden kleed kon koopen,

noch strooien hoed, noch krinolinen rok,

heeft zij me voor 'nen jonker laten loopen,

die tegen haar al lang schoone oogen trok (z).

Zij is met hem, helaas! nu opgesteken,

God weet waarheen... en toch minde ik haar 't meest !

Ze zwoer nochtans met mij nooit af te breken...

Ach'- weet-de 't nog, Azor, mijn arme beest?