is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rischjasringa.

Uit den Mahabharata.

Naar Ad. Holtzmann's Overzetting.

Een koning, Lomapada genaamd,

in Angaland (i) alomme beroemd,

bedroog eens om 't bedongene loon voor de offerande den offeraar.

Dies togen al de brahmienen gram de grenzen over van Angaland.

Er steeg ten hemel geen offerdamp,

en Indra (2) schonk geenen druppel meer. Sinds heerschte de felste nood in 't land, en koning Lomapada ontbood van heinde en ver de wijzen, en vroeg wat nu gedaan, opdat er de Heer des Donders nogmaals zegenend vocht zou laten nederstroomen. En elk gaf zijne meening te kennen. Maar een, de wijste van allen, stond op en sprak in dezer voege :

« O koning, verneem wat als het beste middel mij dunkt :

zoo lang in 't land, waar ge zwaait den staf, geen offeraar een offer en wijdt,

zoo lang en laaft Pardschanja den grond, den dorstigen, niet met hemelsch nat.

Nederduitsch tijdschrift, i865, tweede deel, bl. *83.

(1) Anga, Opper Bengalen.

(2) Indra, de God des hemels en der blauwe lucht, de heer des bliksems, de* bevrucht tenden regens, der winden en wolken; ook Pandschanja, de Duizendoogige, enz., ge*, heeten.