is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen, met de droogte, de felle nood in Anga hooger en hooger steeg,

en zelfs den koning de hoop ontviel op redding, kwam zijne Santa, ja,

zijne eenige dochter, vóór hem staan.

« O vader, sprak ze, vergun het mij, dat ik beproeve uit het dichte woud den knaap, die slechts zijnen vader kent, hierheen te leiden in deze stad ! »

Nu was de vorst ten hoogste verblijd, en deed een schip bereiden, waarop werd aangebracht eene looverhut, der boeteplegeren hut gelijk.

Dan voer hij met het bevallige kind den Kausiki, den golvenden, op;

en als ze zagen de looverhut,

waar boete deed de jonge brahmien,

zoo zei de koning der maget al wat moest gedaan om te treffen het doel. En toen ze Rischjasringa alleen ontwaarde, sprak zij aldus hem aan.

<( Zeg, Mumi (i), of uwe boet gedijt?

Zijt gij tevreden hier in het woud ?

Hebt gij ook wortels en vruchten genoeg ? Om u te bezoeken zoo kom ik hier. »> —

<( Gij glinstert als het stralende vuur, om u te begroeten vlieg ik op.

Ik bied u water, o heerlijke gast, en vruchten, wortels en bloemen aan ! » —

« In onze hut, ginds achter den berg,

daar groeien schoonere bloemen mij, en betere vruchten ; ook drinken wij er zoeteren drank : ei, proef er van ! » —

(1) Mijn heilige.