is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ringsken en Roosken.

Naar Anton von Klesheim, 's Schwarzblatl aus 'n Weanerwald.

Haar eigen gulden ringsken gaf

mijn liefste meisje mij ;

het schoonste roosken plukte ik af,

en schonk het haar zoo blij.

Ze stak zich, vreugdeblozend, ras

het roosken op de borst ; en, 't ringsken aan den vinger, was

ik fierder dan een vorst.

Ze zoende mij, ik zoende haar,

al zwerend, dat getrouw de zoetste liefde ons aan elkaar voor eeuwig hechten zou.

Niet lang en duurt der roze bloei,

verwelken is haar lot...

En als de wind des winters woei,

was 't lieve kind bij God.

Maar vóór het scheiden sprak ze : Vriend,

en ween toch niet zoozeer ; in 's Heeren schoonen hemel vindt

gij uwe bruid eens weer :

daar wacht ik u, en ben ik u,

zoodra gij komt, nabij ;

want aan mijn ringsken ken ik u,

gij, aan uw roosken, mij!

Liederen, «868, bl. ïtt.

Zingzang, 1866, bl. 140, op eene Duitsche melodie*