is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII

Het schoolvertrek. Vier naakte muren, zwarte banken, een houten kruisbeeld, opgesmukt met buxusranken. Het rozenwangig liefdezusterken, 't gelaat in spierblank linnen doek half weggedoken, staat vóór 't kleine volkje, dat men harer zorg vertrouwde. Die goede zuster ! Nooit, al moet zij ook het oude langwijlig deuntje honderdmaal herhalen, ziet men op haar voorhoofd eenig teeken van verdriet !

En net alsof ze 't niet bemerkte, laat ze de oogen der kleinsten, over de eerste lessenaars gebogen, den gulden kever nagaan, die daar op een wit papier, een draadjen aan den poot, te melken zit.

VIII

't Is in den dierentuin bij lenteweder waarlijk plezierig. Dat geschreeuw der beesten, wild, vervaarlijk, de sterke geuren, die 't gewas, hierheen gebracht van heinde en verre, uitwasemt, 's hemels blauwe pracht — Dat alles toovert u 't aardsch paradijs vóór oogen. En zittend in de breede schaduw eenes hoogen alpischen dens, aanhoort men 's leeuwen hol gegrom, en kijkt naar 't reuzig hok des olifants, waarom de kindermeiden staan, en ziet den dikkerd brokken zwart brood, die zijne tromp flink opvangt, binnenslokken.

De Toekomst 1873» bl. 14* •