is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar eene trouwbelofte onderschrijven, het land verlaten, in den vreemde fortuin zoeken, dan tot de moeder zijner kinderen terugkeeren en met haar, in de duurbare geboortestreek, de vruchten zijns arbeids deelen. Maar dat plan viel niet in den smaak der Armours, die zelfs liever van hunnen eisch afzagen en hunne dochter dwongen, met den jeugdigen dichter af te breken. Burns werd daardoor nog meer ter uitvoering zijns ontwerps aangezet.

Vóór zijne vrijagie met Jean, en ja ook tijdens zijnen omgang met de schoone metsersdochter, onderhield onze Robert liefdebetrekkingen met een meisjen van nog minderen rang, eene dienstmaagd met name Mary Campbell. Als nu zijn plan, naar Jamaica uit te wijken, op het punt was verwezenlijkt te worden, ging hij tot Mary en stelde haar voor, de overzeesche reis met hem te ondernemen De arme deerne had waarschijnlijk geene kennis van Burns' plichten jegens Jean : ze aanvaardde het voorstel. Mary was eene Hooglandsche, en, als zoodanig, bijgeloovig, vol eerbied voor de gebruiken harer landstreek; Burns, van zijnen kant, was niet weinig romanesk... De verloving greep derhalve met buitengewone plechtigheid plaats. Mary stond aan den boord eener snelvlietende beek; Robert, aan den overkant. Ieder hield in de hand eenen bijbel, en op het gewijde boek zwoeren zij elkander eeuwige liefde. Dan waadde zij de beek door tot hem, gaf hem den kus der trouwe en ging naar Campbelton, om haren verwanten de tijding harer verloving te brengen en de noodige schikkingen voor het huwelijk te nemen. Maar helaas ! onderwege kreeg ze de koorts en stierf, bijna plotselijk, te Greenock

Zijn besluit, het vaderland te verlaten, stond nu vaster dan ooit. Maar daartoe was geld van doen, en dat had hij niet. De nood bracht Burns op de gelukkige gedachte, zijne tot nog toe ongedrukte gedichten in het licht te geven, met de hoop, daarbij zijne reiskosten te winnen.

Diesaangaande zegt hij in zijnen brief aan Dr Moore :

« Ik wikte en woog mijn werk zoo onpartijdig, als ik kon. Ik dacht, dat het verdienste had, en het was een streelend denkbeeld, dat ik « een knappe jongen » zou genoemd worden, zelfs als mochte zulke lofspraak nooit overwaaien tot mij, armen negerhoeder, of wellicht slachtoffer van het ongastvrije klimaat en verhuisd naar de geestenwereld! Ik mag inderdaad zeggen, dat, pauvre inconnu als ik toen was, ik wel omtrent dezelfde hooge gedachte van mij en mijn werk had, als in dit .oogenblik, nu het publiek ten voordeele mijner muze uitspraak heeft gedaan. Ik was immer van meening, dat men de misslagen en domheden, die, zoo onder rationeel als onder godsdienstig oogpunt, dagelijks door dui-