is toegevoegd aan uw favorieten.

Liederen en gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen de Heb3uchtigen.

Horatius' Oden, II, 18.

Geen ivoren pronk versiert mijn huis, noch rijk met goud belegd paneelwerk ;

geen Hymettisch marmer kroont er zuilen, verre in Afrika gehouwen ;

geen paleis van Attalus viel onverwacht in mijn bezit als erfgoed ;

geen Laconisch purper wordt er door beschermlingsvrouwen mij gesponnen :

Eene lier bezit ik maar en onuitputlijk dichtgenie. Mij, arme,

zoekt de rijke des. Ik vraag den Goden verder niets, noch plaag den machtgen

vriend om meer vermogen ooit,

gelukkig als ik ben met één Sabinum. —

Ras verdringt de dag den dag en de eene nieuwe mane volgt op de andre...

Gij, weldra de prooi des doods,

bestelt de marmerzagers ; aan uw graf niet denkend, bouwt ge huis aan huis,

en wilt het strand der zee, die tegen Bajae

ruischt, verwijden, niet genoeg bezittend aan den vastelandschen oever.

Ja ! ge rukt de palen uit van uwer buren grond en springt, door hebzucht