is toegevoegd aan uw favorieten.

Die Wurzeln der kapholländischen Volksüberlieferungen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 29 —

und in abweichender Form:

Afr. Hopmaj anne tj ie, Hopmajannetjie, Hopmaj annetje Janse, Hij skuur sij pot al is dit swart, En laat sij poppetjie danse.

VI. 106. Hop, Marjannetje, Koffiekannetje, Hop, Marjannetje Jansen. Hij wiegt het kind en hij roert de pap, En laat zijn hondje dansen.

C. T. IV 253

Hoep, Marianneken,

Hoep, Marianneken,

Laat de poppekens dansen,

Een goeie man en een brave man,

Een man van complaisance,

Hij roert de pap, hij wiegt het kind,

En laat zijn vrouwken dansen.

Von sonstigen Kinderreimen waren u. a. zu nennen:

Vgl. VI. 107 und B. 121.

1) 2)

3)

4)

Buiten in de biezen, daar lei 'n hondjie dood ... (VI. 43); Holler die boller, die kat op die solier ... (beide met Schlussvarr.); ABC, Lokalisiertr A R f!

(Und Varr.

Katjie gaat mee.

Hondjie blij thuis,

Piep! se die muis in die kombuis.

(Vgl. VI. 4, C. T. VII 240).

Trippe, trappe, trone, Varkies in die bone, Gansies in die groene gras, Eendjies in die waterplas; 'k Wou dat kindjie groter was Om al die diertjies op te pas.

vgl. VI. 6, 7).

Hondjie gaat mee, Waar nat oe ? Daantjie Roux. Wat gaan maak? .

5) Mit hübscher Lokalisierung: Afr. (D. S. W. A.)

Mama is naar Slikkersloot Om 'n korsie wittebrood; Papa is na 't dammetjie ' Om 'n vette lammetjie; Dodo, kijntjie, dodo.

VI. 7; vgl. C. T. IV 239, 240.

Moeder is naar Damme Om een volle mamrne, Vader is naar Slikkersloot Om een stukje wittebrood; Kleine kindjes worden groot.

6) Eine altgerm.-heidnische VorsteUung steekt noch im zweiten Vers des folgenden Keimes, der vor siebzig Jahren als Sprechübung in der Schule diente:

Een, twee, drie, vier, vjjf, zes, zeven,. Ik kom Flip met de lappen tegen; Hij kon slokken, grote blokken, 'n Koei en kalf, dood pèrd half, Honderd duizend schapen, . 'n Hele berg met rapen, Nog kon hij van honger nie slapen.