is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 December van hetzelfde jaar deed de « Roi Soleil » zijn intrede in de Vlaamsche havenstad, die ditmaal voor goed van de overige Nederlanden afgescheiden bleef.

Lodewijk's blijde intocht te Duinkerke ging met prachtige feesten gepaard. Omringd van musketiers en voetknechten kwam hij door de Bergsche poort de heerlijk versierde stad binnengereden. Leerlingen der Jezuïeten, aangekleed als schutsgeesten der stad, en boven op de poort geplaatst, begroetten den vorst met gelegenheidsverzen, en noodigden het volk uit om zich in den aanvang van diens regeering te verblijden. Tot 's konings vertrek, bij fakkellicht, op 5 December om 3 uur 's morgens, duurden de feestelijkheden voort, onder een grooten toeloop van nieuwsgierigen, die uit de nabijliggende Spaansche Nederlanden gekomen waren om den beroemden vorst te aanschouwen (*).

Die blijde intocht van Lodewijk XIV is zeker een der voornaamste kinderindrukken geweest, die Michiel de Swaen ontving. Op dat tijdstip was hij immers acht jaar oud. Het leven van den man, die eenmaal de verdienstelijkste beoefenaar der Nederlandsche taal in Duinkerke en in den ganschen Fransch-VIaamschen Westhoek zou worden, vangt dus als het ware werkelijk aan op het oogenblik, dat zijne geboortestad met gejuich en gevlei den vorst huldigt, die den eersten aanslag op die taal zou plegen (2) en van wiens intocht de ondergang van het Nederlandsch te Duinkerke dagteekent.

Michiel de Swaen (3), zoon van Philips, werd op 20 Januari 1654 te Duinkerke geboren. Zijn doop greep plaats op 25 Januari en staat op het kerkregister vermeld onder nummer 1547 (4).

Over De Swaen's levensgeschiedenis is ons bitter weinig bekend. De schaarsche bijzonderheden, die wij daarover bezitten, werden bijna alle

(*) P. Faulconnier, Description historique de la ville de Dunkerque, deel VIL Brugge, A. Wydts, 1730.

(2) Zie verder in dit hoofdstuk.

(3) J.-M. Schrant noemt hem verkeerdelijk Marten (Proeven van Nederlandsche Dichtkunde uit zeven Eeuwen, Gent, 1827). Witsen Geysbeek in zijn Anthologisch Woordenboek der Nederlandsctie Dichters ook.

(*) Bulletin du Comité flamand de France, deel V, blz. 246.