is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekere kracht voor de onderstelling kon geput worden, vertoont volstrekt geene eigenaardigheden, die den persoonlijken stempel van De Swaen zouden dragen. Verwonderd vragen wij ons bovendien af, hoe de Belsche rederijkers zeventig jaren na De Swaen's dood die Cinna-vertaling zouden opgedolven hebben, waarop door tijdgenooten van De Swaen nergens wordt gezinspeeld. Daarenle gen is hel aannemelijker dat de factor der Belsche kamer de opgevoerde vertaling gemaakt heeft. In de « Opdragl » van het werkje « aen Bailliu, Voogd, Schepenen ende Baeden » der stad, lezen wij : « De volmaekte voorbeelden van Liefde, die U.-E. ons dagelijks geeft, verbinden ons de waere Liefde door Cezar Octavianus aen die hem dooden wilden gepleegl, en speel-wys vertoont, op te draegen, biddende niet 't gering 't gonne wy U.-E. opofferen, maer 't goed oogmerk te willen aenzien van de gonne die U.-E. altyd die Eerbiedigheid zullen toedragen, Myn Heeren, U.-E.... dienaeren, Hooftman, Prince, Deken, Bewindmannen ende Gemeene medebroeders der Jong van Zinnen binnen Belle, gel. Cleenewerck de Crayencour, prince der Jong van Zinnen. » Hoe zou nu de Kamer van Belle, indien ze geen aandeel had in het werk, dat zij aan den Baad opdraagt, kunnen gewagen van « t' gering 't gonne (zij) opoffert »? Waarom zouden wij Cleenewerck de Crayencour, prins-factor van de Kamer, niet aanzien voor den vertaler? Hij spreekt over hel opgedragen werk als over een collectief voortbrengsel der Kamer, doch dil was zoo de gewoonte bij de rederijkers, de individualiteit van den factor verdween achter 't blazoen van de Kamer. De Swaen zelf spreekt in zijn Opdracht van Andronicus aan den heer Barentin op dezelfde manier. Wij houden ons in elk geval overtuigd, dat wij ten minste evenveel grond hebben om den factor van Jong van Zinnen voor den vertaler te houden als om De Swaen als dusdanig voor te stellen. Men moet in alles wat FranschVlaanderen voortbracht niet steeds de hand van De Swaen willen ontdekken, naast en na den Duinkerkschei) schrijver waren daar mannen genoeg in staat om dergelijk vertalingwerk met goed gevolg aan te vatten. Lang na De Swaen's dood treffen wij nog vrij goede vertalingen aan. In 1785 vertaalde de advocaat Servois, te Sint-Winoksbergen, Voltaire's Tancrède; in 1778 vertaalde J.-J. Baey van Belle Alzire van denzelfden