is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den Val des Waens of Voldoende Beandwoording door de Vrye Heofkamer der Weerde Drie Santinnen Binnen Brugge op hel Duinkerks Beroepschrift, aanwijzende de feilen deszelfs Ryrmwerk (*). Deze brochure verscheen op 23 Juni 4 701.

De Brugsche keurraad wettigt zijn oordeel als volgt : « Onder alle de mededingende kamers van rhetorica bevonden wy dat Ninove den Oorspronk en Duinkerk den Lof der konst, levendigst hadden afgebeelt. Gelyk den Oorspronk het eerste en den Lof alleen voor het tweede deel was opgestelt, wiert Ninove den eersten en Duinkerk den tweeden prys aangewezen (2). »

Men zal bekennen dat zulke redeneering al niet bijzonder scherpzinnig is.

Het Beroepschrift zelf, met al de aanmerkingen van De Swaen op Speeckaert's gedicht, wordt in den Val des Waens niet besproken. Het was volgens de Bruggelingen «tekael en te verdrietig!) », « audersdeels (hadden) (sy) noch wat sloffe willen overladen, om of het de Kamer van Ninove behaegde, de penne in de hand te vatten; hoewel (huns) oordeels, het zap, de kool niet waert en (was) (3) ». Wat De Swaen met Speeckaert1»gedicht had gedaan, deden zij nu met het zijne. Zij wilden alleen « den hairkliever met hairklieven belaelen (4) ».

Wat nu volgt mag werkelijk haarkloverij heeten en wij zouden onzen tijd verspillen moesten wij er lang bij stil staan. Wij zullen bij voorbeeld niet mede gaan twisten over de vraag of Salomo geleerder was dan Adam (6) en meer dergelijke zaken. Stellen wij alleen vast, dat het Brugsche: vlugschrift met vinnigheid geschreven is en zeer hatelijke beschuldigingen tegen De Swaen uitbrengt. Wij kunnen onzen glimlach niet bedwingen als wij ons herinneren dat het thans zoo gehekelde gedicht door dezelfde beoordeelaars vroeger als hemeltaal geroemd werd (6).

(*) Brugge, bij de erfgenamen van Ign. Van Pee. (Gentsche Universiteitsbibliotheek, Ace. 9145'.)

(2) De Val des Waens, blz. 2.

(3) lbid., blz. 3.

(4) lbid., blz. 2. (8) lbid., blz. 14. (6) Zie bladz. 50.