is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Swaen is vol hoogmoed, beweert het Brugsche schrift, omdat hij zijn gedicht begint met de woorden : « In Godl is myn begin... ». Hoor maar hoe men hem daarover lastig valt : « Wal iedele verwaentheid! Wat opgeblazen hoogmoed! Hoe durft gy het begin van u Rymwerk met den naem van den Alderhoogsten oppronken (1)? »

De in-vrome De Swaen wordt zelfs van ketterij beschuldigd omdat hij schreef: « (Godt) waeruyl dal alle goet en gaven zyn geresen ! » « Ryzen beteikent by ons, iet van een laeger, lot een hooger plaels, bringen », leeraren de Brugsche rederijkers. « De gaven zegt gy ryzen uit God. Is God dan laeger of minder dan de gaven, die hooger ryzen als hy zelv' uit wien zy voorlkomen ? Die stelling is ketters (2)! » De Swaen is waarlijk een ketter! Durft hij niet zeggen : « (Adam) uyt synen niet verheven? » De Brugsche godgeleerden roepen hem lot de orde : « Het is een dwaelgeestige stelling tegen d'uyldrukkelyken zin der Heilige bladen, dat Adam uit niet geschapen is (3). » Waarom wist die dwalende Duinkerkenaar dan ook niet, dat de mensch, volgens Genes. 2. 7., uil « slym der aerde (3) » gemaakt is?

De Swaen wordt daarenboven beschuldigd van bedrog. Hij zou zijn prijsgedichl in het Beroepschrift hebben laten drukken met tal van verbeteringen, zonder de lezers te waarschuwen (4). Om over de waarde van deze beschuldiging te oordeelen, hebben wij den tekst van De Swaen's gedicht in den Heliconschen Echo en het Register der Drie Santinnen, met de latere door De Swaen gegeven lezing vergeleken. Wij vinden alleen dal De Swaen « gebruik » veranderde in « geluid (8) », « gebod » in « gebed (6) » en « stemmen » in « pypen (7) ». De Swaen bekende bovendien dat hij bij vergissing « gebruik » geschreven had op het prijshandschrift (8). Het bedoelde bedrog blijkt dus maar een nietige pekelzonde te zijn.

(<) De Val des Waens, blz. B.

(2) lbid., blz. 6.

(3) lbid., blz. 7.

(4) lbid., blz. 9. (8) Vers 7.

(6) Vers 23.

(7) Vers 90.

(8) De Val des Waens, blz. 9.