is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Brugsche vlugschrift gaat nog verder; het insinueert, dat De Swaen een gemeene letterdief is. Waar het de verdienste van De Swaen's gedicht niet loochenen kan, schrijft het hatelijkheden als de volgende : « Helder op wyzen man, dat behaeght ons, nu beginnen wy achting voor uwe dichten (4) te hebben; wy zeggen uw dichten, omdat wy, die, ter goede trauwe, daer voor aennemen, schoon eenige meinen, dal deze, en andere van de volgende, van U maekzei niet en zyn, om dat zy niet overeenstemmen, met uwen gewoonelyken styl, en bezonderlyken niet, met de verzen van uwen Andronicus die gy onlangs (heel slecht opgestelt) hebt in 't licht gegeven (2). » Verder wordt die verdachtmaking nog herhaald : o Zyn dat pylen uil uwen koker, gy doet ü eigen ongelyk, dal gy niet altyd op denzelven trant en schryft (3). » « De eerste en het grootste deel van de laetste verzen, verschillen als de nacht van den dag. Wy zouden gemeint hebben dat aen U Rymwerk twee verscheiden konstminners hadden geaerbeid : maer de wyl gy ons hebt verzekert, hier tot Brugge zynde, dat gy tot Duynkerk alleen Poet waert, zoo moeten wy geloven dat het heel u maekzei is (4). »

Ten slotte kreeg De Swaen nog een steek, die voor de kunstopvatting der rederijkers wel kenschetsend is. iMen verweet hem dat zijn Beroepschrift niel op rijm gesteld was.

Wie zig vol Waens verheelt van feilen vry te wezen,

Die moet, niet Rymeloos een Rymerswerk doorzitten;

De Konst is Konste waert. Het valt te byster kael,

Dat een Konstrymer schryft in ongerymde tael.

Vraegt gy nog andwoord, schryft ons in gerymde schriften (s).

Gelukkiglijk werd De Swaen's eer later op het punt der rijmvaardigheid voor hel nageslacht gered door zijn vriend P. Labus! In de liminaria van de Zedelycke Gedichten plaatst de Duinkersche drukker en rijmer De Swaen

(!) Verzen.

(2) De Val des Waens, blz. 14.

(3) lbid., blz. 16. (*) lbid., blz. 18. (8) lbid., blz. 19.