is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

benadering genomen; maar, al had De Swaen honderd dergelijke bekroningen behaald, hij zou er bij 't nageslacht nog meer, noch minder om geacht worden.

De Brugsche prijskamp en de geschriften, waartoe hij aanleiding gaf, hebben een ander belang. Zij laten een eigenaardig kijkje nemen op de bedrijvigheid der Zuidnederlandsche rederijkersgilden op het einde der 17de en het begin der 18de eeuw en leveren ons stof tot juistere kennis van hel literair geweten dier dagen. Zoo schetsen zij ons voortreffelijk de omgeving, waarin De Swaen zich bewoog.

De classieke eeuw onzer letterkunde stond reeds in den luister van haar avondrood. Vondel, Hooft, Huygens, Cals en zooveel anderen hadden onze letterkunde in de noordelijke Nederlanden opgevoerd tot den hoogsten trap, dien zij in den loop van verschillende eeuwen bereiken zou. De zuidelijke helft der Nederlandeu^had dien gang opwaarts niet medegemaakt. In den grond beschouwd, was het alsof het drukke literaire leven in 't Noorden voor de 17de eeuwsche Zuid-Nederlanders niet bestond. Hiermede bedoelen wij niet, dat er hun niets van bekend was. Vondel en Cals waren hier zelfs zeer populair. In de voorrede van den Heliconschen Echo wordt Vondel als een soort van beschermgod aangeroepen. Nog andere Noordnederlandsche letterkundigen werden hier hoog geroemd. In de SluylReden van het Masker van de Wereld zegt A. Poirters tot zijne lezers : « Evenwel en hope ick niet, dat ghy myn werck sult verslooten, schoon ghy overvloedigheyt hebt van die uyt-ghelesen Hollantsche Poëten (*). » In den Heliconschen Echo worden Hooft, Jan Vos, Krul, Westerbaen Heyns, Van Baerle en anderen met overvloedigen lof vermeld. Maar die namen schijnen daar alleen voor den uiterlijken praal opgehaald, evenals die van Homeros, Virgilius, Ovidius en andere classieken van wier werken de rederijkers, die ze noemden, maar een zeer vaag begrip hadden In elk geval had de levenwekkende invloed, die van groote voorgangers als Vondel en Hooft moest uitgaan, geen vat op de Zuid-Nederlanders;

(*) A. Poirters, Bet Masker van de Wereld, blz. 364.