is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den literairen scheppingsdrang, waarvan Noord-Nederland in deze eeuw blijk gaf, was in het Zuiden maar een flauwe nawerking te vinden. Pater Poirters en W. Ogier zijn de eenige namen, die totnogtoe ZuidNederland vertegenwoordigden in de algemeene geschiedenis onzer zeventiendeeuwsche letterkunde.

Het letterkundig leventje der zuidelijke Nederlanden smeulde te dien tijde om zoo te zeggen uitsluitend in de kamers van rhetorica. Toen deze in de 16e eeuw brandpunten der Hervorming geworden waren, hadden het Spaansche bestuur en de katholieke Kerk ze bevochten en geschorst ('), maar in de 47e eeuw, toen de protestantsche invloeden geweerd waren en de eenheid van den Roomschen godsdienst hier hersteld was, werden de rederijkerskamers weer geopend en thans door het bestuur en de Kerk begunstigd (*). De vroegere oproerige Kamers waren thans toonbeelden van Roomsch-katholieke vroomheid en gehechtheid aan het vorstenhuis geworden. De rederijkersmuze dier dagen geeft daar overvloedige bewijzen van.

Waren de Kamers van rhetorica in godsdienstig opzicht niet meer wat ze in de 46e eeuw waren, ten opzichte der kunst waren ze ongeveer nog gebleven als vroeger. Nog steeds werd er de letterkunde beschouwd als een liefhebberij, waaraan iedereen kon meedoen, zooals aan het schieten met den edelen kruisboog of het spelen met de blaaspijp. Men had toen in Vlaanderen en Brabant wellicht nog zooveel poëten gevonden als in 4561, toen er te Antwerpen op het landjuweel niet minder dan achttien honderd drie en negentig « te paard » verschenen. Maar van dat ontzaglijk getal zijn er uit de 4 7e eeuw al niet meer voor het nageslacht blijven leven dan uit de 46e eeuw. Hun rijmwerk vertoont nog steeds denzelfden valsch* mythologischen bombast, denzelfden hollen woordenpraal, dezelfde schijngeleerdheid, hetzelfde gemis aan oprechte bezieling, als toen Matthijs de Castelein nog op den Vlaamschen Parnassus leeraarde.

Het werk der zeventiendeeuwsche rederijkers was het werk eener talentlooze gemeenschap, waar hel gemis aan innerlijke bezieling door geen

(*) Cf. Es. vander Straeten, Le Thé&tre vülageois en Flandre. A. Tillot, Brussel, deel I, blz. 53 en verder.