is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poëzie aan De Borde uil, naar aanleiding van den Brugschen prijskamp stellig niet overdreven schijnen :

Voorwaer, als ik bemerk dat ydel woorden-spel,

Dien opgepronkten klank en woesten t' samenstel

Van bastaert-naemen, en ontlede lettergrepen;

Als ik de Rymkonst soo verminkt sie en beknepen

Door onsen lantgenoot, myn hert begeeft door druck.

Wat eeuw beleven wy? Wat droevigh ongeluck

Omvangt den Helicon? 't Gelyckt dal syne kooren

Hier niet dan wilde sangh en toonen laten hooren.

De woestheyt heeft de konst en Reden overheert.

't Schynt dat Parnassusbergh in Aetna is verkeert,

Apol in Polypheem, de Musen in Giclopen;

De nectar-vloeden staen voor waen-poëten open;

Gerammel en gesnork, met mateloos geklank

Trotseert nu soet gedicht, en welgeschikte sanck.

Die hemel-konst, die 't hert door d'ooren placht te streelen

Regint nu overal geleerden te vervelen

Door schetterend geluyt en ongebonden maet

In dergelijke literair achterlijke omgeving verkeerde De Swaen. Wij hebben immers in ons vorig hoofdstuk aangetoond, dat de Duinkerksche dichler een zeer ijverig rederijker was, dat hij niet alleen onverpoosd voor de Kamer zijner stad werkte, maar in voortdurende betrekking stond met de kunstbroeders uit andere Vlaamsche sleden.

Bij het bepalen dezer verhouding van De Swaen tot de rederijkerskamers rijst de vraag : In welke maal is hij met die rederijkersomgeving vergroeid, in welke maat raakt zijn kunstpersoonlijkheid er in verloren, in welke maal heefl hij er zich uit losgewerkt naar den hoogeren trap van den zelfstandig denkenden en voelenden dichter? De letterkundige studie van De Swaen's werken moet ons het antwoord op deze vraag geven.

Wij kunnen echter nu reeds verzekeren, dat De Swaen naar dien hoogeren rang gestreefd heeft. Zoo hij hem niet bereiken mocht, dan is het

P) Hs. van het Comité flamand de France (III), 4e gedicht, blz. 139.