is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar De Swaen aan de rijmscholieren van de eerste broek hunne zelfvoldaanheid verwijl, loopt hij geen gevaar, dat men dit verwijl tegen hem zal kunnen keeren. Tot op zijn laatste levensjaar toe herzag en beschaafde hij zijne geschriften, zooals blijkt uit de manuscripten van het Comité flamand. Ook aan andere beoefenaars der letteren, in wie hij vertrouwen stelde, onderwierp hij zijne werken ter beoordeeling en ter verbetering. Dit was wel eene gewoonte onder zeventiende-eeuwsche schrijvers (*) en meer dan eens werd het slechts uit schijnbare zedigheid gedaan, maar de manier waarop De Swaen het critisch oordeel van een lettervriend vraagt, verraadt onzes dunkens ongeveinsde oprechtheid.

Myn oogwit was te weSen onderricht, Van 't gen ik niet en sagh t'ontbreken aen myn dicht. Ik ben soo waensiek niet van in myn hooft te steken Dat in dit treurigh spel niet schuylen veel gebreken. Snyd, kap, trek uyt en brand soo veel gy 't noodigh acht, Gelyk een Arts, die na syn lyders welvaert tracht (2).

De Swaen heeft de vruchten zijner studie der kunstregels en -wetten bijeengebracht in zijne Nederduytsche Digtkunde of Rymkonst. Dit werk is, volgens de eigen verklaring van den schrijver, eene omschrijving van Aristoteles' Ars poëtica, « gepasl op de hedendaegsche oeffening der Nederduytsche laele » (3). Alles wat van J.-C. Scaliger af, den beroemden zesliende-eeuwschen aanvuller en commentator van Aristoteles1 kunsttheorie, tot Boileau toe over dichlwetten werd geleeraard, vinden wij in De Swaen's Diglkunde terug. De toepassing dier wetten op de « Nederduytsche taele » beperkt zich lot een hoofdstuk over Nederlandschen versbouw en eenige critische beschouwingen over enkele Nederlandsche schrijvers, vooral over Vondel en Cals. Op oorspronkelijkheid kan deze Digtkunde dus al weinig aanspraak maken. Zij bewijst echter, dat de kunst bij De Swaen niet een bloote liefhebberij was, waaraan men zich onvoor-

(1) Dr G. Kalff, Litteratuur en Tooneel te Amsterdam in de 47* eeuw, blz. 131.

(2) Hs. van het Comité flamand de France (III). Sendbrief aen Sr G. D. D.

(3) Rymkonst. Voorrede.