is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met déze opvatting van hel doel der poëzie is De Swaen in volkomen overeenstemming met de meeste Nederlandsche dichters der 47e eeuw. Cals schreef ook lot « Gods heyligen naems eere, beteringe des schrijvers en slichtinge des lesers (1) ». Volgens Vondel was het doelwit van alle schrijvers « hel schoonbekranste Beeld van d'oprechte Deugd (2) ». Ook Brandt wijst op de kracht der poëzie om « de deught met vermaak den menschen in te boezemen, en den gemoederen een afkeer van snoode stukken in te planten (3) ». Deze aanhalingen kunnen zonder veel moeite nog vermeerderd worden. Men behoeft daartoe zelfs niet uitsluitend in de werken der ernstig gestemde schrijvers te zoeken, ook de comici pleiten graag voor het stichtelijke in hunne kunst (4).

Het is echter niet voldoende als zedenprediker op te treden om dichter te zijn. Daar is een bijzondere aangeboren aanleg toe noodig. Dit oude « poëla nascimur » omschrijft De Swaen aldus : « D'oeffening van (de pqëzie) word le vergefs betracht van de gonne, aen wie natuer geweygeri heeft sekeren uylsproog en verheventheyd van geest, die de gedachten ophelderd, en voorsiet met eene altyd bereyde vruchlbaerheyd... (s). » Op een andere plaats noemt De Swaen dezen natuurlijken aanleg : « het wonderbare in de redening », dit is eene gave waarmede de dichter meesleept, vervoert en overweldigt

De dichter, die met deze gave geboren is « moet deselve voeden » met « alles wat groot en aensienelijk is ». Hij moet de natuurkunde, de zedenleer, de geschiedenis of zooals De Swaen die wetenschap omschrijft « de daden en spreuken der helden » besludeeren. Hier spreekt De Swaen alwéér als een echt kind van zijnen tijd, die in de poëzie het vertoon van geleerdheid zeer hoog waardeerde (6). In zijne Aeideidinge schrijft Vondel nagenoeg hetzelfde als De Swaen : De dichter « bevlytige zich om

(t) Cats Sinne- en Minnebeelden. Voorrede.

(2) Vondel, Gulden Winkel. Voorrede, blz. 183.

(3) Brandt, Leven van Vondel.

(*) Zie Kalff, Litteratuur en Tooneel, blz. 122.

(8) Digtkunde, Besonder Hoofdstuk.

(6) Zie Kalff, Tooneel en Litteratuur, blz. 12S.