is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met leering (kon) verstaen (') ». De Swaen komt ook op tegen die verkeerde navolging van Vondel. « De rymers van desen tydt willen alle Vondelianen syn; sy volgen nae alles wat in hem hard en hoogdravend is; maer versuymen syn orden, aerdigheyd, statigheyd, schranderheyd en geleerdheyd. Dus vervallen sy in woestheyd, duyslerheyd en ongeschiktheyd... » Wij meenen, dat wij in de Vondelianen, die De Swaen aldus aanpakt, de « nieuwelingen uit het Noorden» mogen herkennen; over wier « nabootseersels » van hoogdravende woorden en « dobbelsin » hij bij den E. H. De Borde reeds klaagde.

Ook bij het schrijven der volgende vermaning schijnt De Swaen aan de « woeste » woordsmeders van den Brugschen prijskamp gedacht te hebben. Een schrijver moet « met grooten yver d'uytvinding ende hel goed gebruyk der koppelwoorden bysonderlyk in acht nemen », « onse tael is in dese, immers vruchtbaer boven alle nabuerige; en behaelt gelyk de Hebreeuwsche en Grieksche door deselve eene ongemeene aensienlykbeyd, door sterke, klaere, benepen en doordringende uyldrukkingen... ». « Doch men moet deselve allyd gebruykeu met groote omsichtigheyd, schouwende alle nieuwigheydt, indachtig desen grondregel in de taele : Dat het gebruyk van en in alles den regel maekt (2). »

Hel pleidooi voor « eenvoudigheyt en suyverheit van tael », dat De Swaen reeds in zijnen brief aen De Borde hield, herhaalt hij in de Digtkunde ook. Er is voor den slijl « geenen béteren regel... dan de natuerlyke uytdrukkingen van het gedacht : want nadien de woorden teekenen syn van onze gepeysen; soo is dien styl den besten, die de gedachten op 't aldervolmaekste uytdrukt, maer dien styl druckl de gedachten op 't aldervolmaeksle uyt, die deselve naer hunnen aert kort, klaer en naekt voorstelt (3) ».

Het spreekt van zelf, dat De Swaen met eene eenzijdig godsdienstige kunstopvatting als de hierboven omschrevene, geen frivoliteit in de poëzie

C1) Tot de Minnaers der Rymkonst (2« deel van de Zedelycke Rymwercken). (*) Digtkunde, 2» verh., hoofdst. III. (3) lbid., 2* verh., hoofdst. I.