is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegenheid was op deze plaats om het schouwburgpubliek met het pronkvertoon van een ballet te voldoen.

Op zijne tooneeltheorie laat De Swaen in de Digtkunde eene verhandeling volgen waarmede hij « Parnassus leerlingen » wil inwijden in de kennis der menschelijke harlslochten. Hier had hij geen bepaald model voor zich liggen, ook is de omzichtige schuchterheid, waarmede hij ons dit deel van zijn werk voorlegt, nog veel verder gedreven. Hij heeft het « betrouwen dal de geleerde (zyne) beyvering niet quatyk sullen afnemen; maer daer door aengesport worden om 't gene (hy) in (zyne) lael stoulelyk ondernomen en met misslagen uytgegeven (heeft) t' oversten en te verbeteren (*) ». Nochtans bevat ook dit deel van de Digtkunde niels eigenaardigs. De Swaen geeft ons daar eene rangschikking en karakteriseering der verschillende hartstochten zooals meer dan een classiek rhelor het gedaan heeft. Het geheel laat den indruk na als of De Swaen aan zijne medebeoefenaars der letterkunde recepten voorgeschreven had om dramatische karakters le maken. Op enkele plaatsen schijnen, die voorschriften zelfs bestemd te zijn voor de vertolkers van dit of geen karakter op het tooneel. Over de droefheid luidt het : « D'uylwerkingen van droefheyd syn : misnoegen, klagten, vervremtheyd, kleynmoedigheyd, verslapping van geest, afteiring van het ligchaam (") ». Over de vrees : « Haere uyt werkingen syn : versterving van aenschyn, beving der leden, benauwtheyd des adems; perssing des hartens; beroerte des gemoeds; stooring der reden (3) ». Over de schaamte : « De beschaemde worden gemeenelyk eerst bleeck en daer na rood (3) ».

De Swaen's tooneeltheorie in de Digtkunde is alleen van belang omdat zij ons het terrein aanduidt, waarop wij ons bij de critische beoordeeling van de eigen tooneelwerken des schrijvers moeten plaatsen. Wij mogen hij de behandeling van Mauritius, Catharina en Zedighe Dool van Carel V aan De Swaen al de eischen stellen, die de classieke tooneeltheorie toelaat

(*) Digtkunde. Verhandeling van de kennis van het menschenhert, hoofdst* I.

(2) lbid., hoofdst. IV.

(3) lbid., hoofdst. V.